De drie voorgaande afleveringen van deze reeks hebben de bedoeling een aantal misverstanden over kennis, leren en denken in het onderwijs te verhelderen. Ik kwam tot de conclusie dat de volgorde zou moeten zijn: eerst denken, dat leidt tot leren en daarmee tot groeiende kennis, waarna de cyclus weer opnieuw begint. Kennis is daarmee niet een statisch gegeven, maar een levend geheel dat in samenwerking van leraren en leerlingen voortdurend groeit. In deze epiloog wil ik hardop denken over manieren om dat in de praktijk te brengen.

Kunnen en durven we ons oordeel over een kind, een leerling uit te stellen en zo de ruimte en de tijd te creëren voor iets wat we niet voor mogelijk hadden gehouden? Zijn we ons bewust van hoe wij in onze praktijk ten opzichte van kinderen staan: geduldig en vasthoudend of ongeduldig en daarmee vluchtig en oppervlakkig? Joop Berding schrijft over zijn nieuwe boek Opvoeding en onderwijs tussen geduld en ongeduld.

Nadat ik in de eerste twee afleveringen van deze reeks vragen heb onderzocht over kennis en leren, is in deze derde aflevering de beurt aan denken. Wat is denken? Waarom denken mensen? Waarom moeten we jonge mensen leren denken? Is het niet voldoende dat jonge mensen op school kennis opdoen?

In deze serie stukken onderzoek ik vooronderstellingen over kennis, leren en denken waarop de overtuiging is gebaseerd dat kinderen pas kunnen denken (en vragen stellen) als ze voldoende kennis hebben; als ze voldoende hebben geleerd. Aflevering 1 ging over kennis. In deze aflevering bevraag ik ideeën over leren, niet vanuit een leerpsychologisch perspectief maar vanuit mijn perspectief als leraar.

In deze gastblog bespreekt Joop Berding twee boeken van Daniel Pennac, In een adem uit – Het geheim van het lezen en Schoolpijn. Pennac heeft een heel interessante pedagogische visie op taal- en literatuuronderwijs, die sterk aan de opvattingen van Theo Thijssen doen denken. Hij vindt dat kinderen vooral plezier in lezen moet worden bijgebracht en niet meteen met allerlei saaie opdrachten worden lastig gevallen.

Wouter Pols gaat in vogelvlucht door de geschiedenis van de pedagogiek, die de laatste tijd weer voorzichtig terugkomt in het onderwijs. Pedagogiek heeft jaren in de verdrukking gezeten tussen het geweld van ‘evidence-based’ en resultaatgericht onderwijs in een cultuur van meetbaarheid en afrekening (Lees ‘Het Alternatief’ van René Kneyber en Jelmer Evers). Langzaam zien we weer een weg terug naar de centrale plaats die pedagogiek in het onderwijs en onderwijsonderzoek verdient.

We weten ongelofelijk veel, er is in onze tijd al heel veel gemeten en geteld en in kaart gebracht. Ondertussen dreigen we uit het oog te verliezen dat een heel belangrijke kwestie in het onderwijs misschien geen kennisvraagstuk is: de kwestie van de rol van leraren in de zoektocht van jonge mensen om hun weg te vinden in de wereld. Het vraagstuk van persoonsvorming. Leraren hebben daarin iets te doen; het is de pedagogische dimensie van hun onderwijspraktijk. Om daarin goed te kunnen handelen is niet in de eerste plaats kennis nodig – zo is mijn stelling – maar vóór alles: aandacht. Een hart eerder dan een hoofd.

In 2012 kwam Goed Onderwijs en de Cultuur van het Meten uit van Gert Biesta, waarin hij de drieslag kwalificatie-socialisatie-persoonsvorming voor het eerst in het Nederlands introduceerde. Voor de editie van het boek die onlangs is uitgekomen schreef Biesta een nieuw nawoord. Hij vertelt hoe zijn ideeën zijn opgepakt en welke kwesties daarbij spelen. Met name gaat hij in op het misverstand over persoonsvorming (subjectificatie).

In We Moeten Spelen toont Rob Martens overtuigend aan dat kinderen en jongeren spel nodig hebben voor hun ontwikkeling naar volwassenheid en dat spelen en leren onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Spelen is leren en goed leren is spelen, is de centrale stelling.
Dit boek moet iedereen in het onderwijs, en ieder ander die met jonge mensen werkt, lezen.

Scholen in het voortgezet onderwijs hebben veel mogelijkheden tot hun beschikking om hun leerlingen te motiveren. Meer dan ze in de praktijk blijken toe te passen. In het rapport ‘Motivatie om te leren’ geeft de Onderwijsinspectie een aantal tips om motivatie van leerlingen te verbeteren. Bijvoorbeeld binnen de lessen meer uitdaging bieden, en aan leerlingen duidelijker maken wat het nut is van opdrachten en toetsen.