Kinderen en jongeren kunnen ons in deze bijzondere tijden, wanneer we goed naar hen luisteren, veel leren. Bijvoorbeeld waar het in het leven om gaat en waarom onderwijs belangrijk is. Ze mopperen misschien wel op school maar als het er op aan komt missen ze nu hun meester en juf, het contact, de aandacht en de zorg. Het echte contact in de klas blijkt onmisbaar en nauwelijks te vervangen door afstandsonderwijs. Kris van den Branden, medewerkers en studenten hebben een website opgezet waar ze jonge mensen essentiële vragen stellen, de5vragen.com. Hier zijn verslag.

Op maandag 27 januari hield Hester IJsseling haar lectorale rede Bezield en bezielend onderwijs. Pedagogiek van onderbreking en verbinding aan de Thomas More Hogeschool in Rotterdam. Volgens IJsseling zijn bezieling en onderbreking onderdeel van leraar-zijn. ‘Juist in momenten van frictie zit ruimte waarin kinderen kunnen verschijnen en waarin je kinderen kunt ontmoeten.’ Met haar lectoraat wil IJsseling praktijken ontwikkelen om met leraren stil te staan bij wat er gebeurt als ze onderbroken worden. Ook wil ze hen aanmoedigen om meer vanuit het hart en vertrouwen te gaan werken.

iPabo-lector Annerieke Boland opende in november de jaarlijkse Jenaplanconferentie met haar keynote over de wereldverkenningen van het jonge kind. Die vroege stappen in de wereld – van het ontdekken van je schaduw tot het samen bedenken van spelregels – zet een kind al spelend. Anneriekes boodschap: maak van een kleuter niet te vroeg een schoolkind: ‘Er is niks mis met kijken naar taal en rekenen, maar dat zit allemaal al ín het spel van jonge kinderen. Als je goed kijkt naar hun spel, zie je dat dáár het leren gebeurt.’

De drie voorgaande afleveringen van deze reeks hebben de bedoeling een aantal misverstanden over kennis, leren en denken in het onderwijs te verhelderen. Ik kwam tot de conclusie dat de volgorde zou moeten zijn: eerst denken, dat leidt tot leren en daarmee tot groeiende kennis, waarna de cyclus weer opnieuw begint. Kennis is daarmee niet een statisch gegeven, maar een levend geheel dat in samenwerking van leraren en leerlingen voortdurend groeit. In deze epiloog wil ik hardop denken over manieren om dat in de praktijk te brengen.

Kunnen en durven we ons oordeel over een kind, een leerling uit te stellen en zo de ruimte en de tijd te creëren voor iets wat we niet voor mogelijk hadden gehouden? Zijn we ons bewust van hoe wij in onze praktijk ten opzichte van kinderen staan: geduldig en vasthoudend of ongeduldig en daarmee vluchtig en oppervlakkig? Joop Berding schrijft over zijn nieuwe boek Opvoeding en onderwijs tussen geduld en ongeduld.

Nadat ik in de eerste twee afleveringen van deze reeks vragen heb onderzocht over kennis en leren, is in deze derde aflevering de beurt aan denken. Wat is denken? Waarom denken mensen? Waarom moeten we jonge mensen leren denken? Is het niet voldoende dat jonge mensen op school kennis opdoen?

In deze serie stukken onderzoek ik vooronderstellingen over kennis, leren en denken waarop de overtuiging is gebaseerd dat kinderen pas kunnen denken (en vragen stellen) als ze voldoende kennis hebben; als ze voldoende hebben geleerd. Aflevering 1 ging over kennis. In deze aflevering bevraag ik ideeën over leren, niet vanuit een leerpsychologisch perspectief maar vanuit mijn perspectief als leraar.

In deze gastblog bespreekt Joop Berding twee boeken van Daniel Pennac, In een adem uit – Het geheim van het lezen en Schoolpijn. Pennac heeft een heel interessante pedagogische visie op taal- en literatuuronderwijs, die sterk aan de opvattingen van Theo Thijssen doen denken. Hij vindt dat kinderen vooral plezier in lezen moet worden bijgebracht en niet meteen met allerlei saaie opdrachten worden lastig gevallen.

Wouter Pols gaat in vogelvlucht door de geschiedenis van de pedagogiek, die de laatste tijd weer voorzichtig terugkomt in het onderwijs. Pedagogiek heeft jaren in de verdrukking gezeten tussen het geweld van ‘evidence-based’ en resultaatgericht onderwijs in een cultuur van meetbaarheid en afrekening (Lees ‘Het Alternatief’ van René Kneyber en Jelmer Evers). Langzaam zien we weer een weg terug naar de centrale plaats die pedagogiek in het onderwijs en onderwijsonderzoek verdient.

We weten ongelofelijk veel, er is in onze tijd al heel veel gemeten en geteld en in kaart gebracht. Ondertussen dreigen we uit het oog te verliezen dat een heel belangrijke kwestie in het onderwijs misschien geen kennisvraagstuk is: de kwestie van de rol van leraren in de zoektocht van jonge mensen om hun weg te vinden in de wereld. Het vraagstuk van persoonsvorming. Leraren hebben daarin iets te doen; het is de pedagogische dimensie van hun onderwijspraktijk. Om daarin goed te kunnen handelen is niet in de eerste plaats kennis nodig – zo is mijn stelling – maar vóór alles: aandacht. Een hart eerder dan een hoofd.