Weer een rapport van de OESO dat laat zien dat Nederland niet het beste meisje van de klas is als het gaat om het realiseren van gelijke kansen. Uit het onlangs verschenen rapport ‘The Resilience of Students with an Immigrant Background’ blijkt onder andere dat kinderen met een migratieachtergrond in Nederland nog steeds weinig kansen hebben in het onderwijs. Ze belanden vaker op het vmbo en doen het daardoor minder goed op de arbeidsmarkt dan kinderen zonder migratieachtergrond. Nederland scoort op dit gebied net zo slecht als bijvoorbeeld België en Duitsland, maar slechter dan Zweden of Groot-Brittannië, zo was te lezen op de site van de NOS van 20 maart jl.

We hebben in Nederland een onderwijsstelsel waar aan het eind van de basisschool je onderwijskansen worden bepaald. Het advies komt tot stand door een combinatie van een advies van de basisschool en de uitslag van een toets. Een toets ontwikkeld door cito maar onder regie van het ministerie van OCW. Het is belangrijk te weten dat de toets geen ‘potentie’ meet en ook geen ‘talenten’ in kaart brengt maar zegt de opbrengsten te meten van al dan niet verworven kennis in de basisschoolperiode. Dat daarbij alleen kennis van taal en rekenen meedoet en dus niet allerlei andere vaardigheden die mogelijkerwijs van belang kunnen zijn voor succes in het vervolgonderwijs. En dat het bij taal niet gaat over een brede taalvaardigheidsinschatting maar dat de meting beperkt is tot lezen, spellen/grammatica en woordenschat. Terwijl taal en taalvaardigheid zoveel meer is dan alleen dat.

Het maakt het meten overzichtelijk vanuit voorbereidingsoogpunt (training voor de toets!) en beperkt als het gaat om het voorspellend vermogen van je kans op succes of falen in het voortgezet onderwijs. Er zijn geen eisen waaraan je moet voldoen om wel of niet geschikt te zijn voor welke vorm van voortgezet onderwijs, er zijn geen ‘profielen’, laat staan dat we in staat zijn om met een toets een goede inschatting te geven waar je het beste bij past. De meting is ‘relatief’. Voor de toets geldt dat op basis van een opgetelde score voor taal en rekenen alle leerlingen die hebben deelgenomen met elkaar worden vergeleken en op basis van hun score worden geordend van hoog naar laag om zo te komen tot zogenaamde ‘percentielindelingen’: De hoogst scorende 50% van de kinderen krijgt een advies verdeeld over havo, havo/vwo en vwo en de laagst scorende 50% krijgt een advies gekoppeld aan de verschillende vmbo-richtingen.

Het is bij de toets dus een kwestie van het verdelen van de ‘kansen’-koek en zorgen dat je aan de goede kant van de streep terechtkomt en jouw deel van de koek weet te bemachtigen. Ouders die in Nederland zijn opgegroeid kennen de toets omdat ze die zelf ook hebben moeten maken aan het eind van het basisonderwijs en weten hoe het werkt. Ook weten ze uit eigen ervaring hoe belangrijk een goede score is voor lancering in het voortgezet onderwijs en de kansen daarna, in de maatschappij. Er is hen veel aan gelegen hun kinderen die kansen ook te bieden, met een hoge score op de toets. Begrijpelijk. Wel wordt het steeds meer dringen aan de bovenkant. Nu al heeft 2/3 van de bevolking van 15 tot 75 jaar een vooropleiding van havo of hoger en van de 30-35-jarigen is bijna de helft hbo-wo-opgeleid. Wil je voor je kind tenminste dezelfde opleidingskansen of zelfs meer dan je zelf hebt gehad, dan is er werk aan de winkel. Want de spoeling wordt steeds dunner. Er is simpelweg niet voor ieder kind van een hbo-opgeleide ouder plek bij de bovenste 50%. Dat verklaart voor een belangrijk deel de toestroom naar bijles en/of toetstraining.

Voor kinderen met een andere talige start of een andere sociale context is het heel lastig om verder te komen dan een vmbo-advies. De toetsen (de eindtoets en de toetsen van het verplichte Leerlingvolgsysteem, LVS) zetten hen bij voorbaat op achterstand. De toetsen zijn namelijk bijzonder talig. Ook de rekentoetsen meten geen zuivere rekenvaardigheid maar vereisen een hoge taalvaardigheid inclusief een grote woordenschat. Dan sluit ook de inhoud van de te lezen teksten nog eens beter aan bij kinderen die opgroeien in een (witte) midden-klasse omgeving. En uit onderzoek weten we dat hoe vertrouwder een lezer is met het onderwerp van een tekst, hoe groter de kans dat hij de tekst goed begrijpt en een hoge score kan halen. Dus ook inhoudelijk zijn kinderen uit andere sociale contexten en van andere talige achtergronden in het nadeel bij de toetsing.

Om de toetsdruk te verlagen is een paar jaar geleden de eindtoets verzet naar een later moment in het schooljaar zodat het schooladvies aan belang zou kunnen winnen. De eerste ervaringen laten zien dat dit besluit zich met name keert tegen de kinderen die met achterstand het onderwijs binnenkomen. Het verlaten van de eindtoets heeft het belang van de scores van de toetsen uit het LVS namelijk alleen maar groter gemaakt. Het voortgezet onderwijs blijkt niet gauw genoegen te nemen met het oordeel van de school en vraagt veelal om inzage in de scores uit het LVS. Maar ook de Inspectie van het onderwijs benadrukt het belang van het kijken naar de scores uit het LVS van groep 6, 7 en 8. En zo is de selectie na de laatste wetswijziging feitelijk vervroegd en is de druk op presteren in de hele bovenbouw toegenomen.

Dit systeem van relatief meten en zo vroeg mogelijk de kansen verdelen op toekomstig maatschappelijk succes is kansloos voor ieder kind dat tijd nodig heeft om bij te trekken en te groeien. De aarde is nu eenmaal niet voor ieder kind bij aanvang even vruchtbaar. Het minste wat we kunnen doen is elk plantje koesteren en de rust en de ruimte te geven te groeien. Daar past geen vroege selectie bij, zoals de OESO ook al in eerdere rapporten heeft gemeld. Als we echt bezorgd zijn over kansengelijkheid dan moeten we ophouden zo vroeg te selecteren en kinderen tijd en ruimte bieden zich zo goed mogelijk te ontwikkelen.

5 1 vote
Article Rating
Abonneren
Abonneren op
guest

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

11 Reacties
nieuwste
oudste meest gestemd
Inline Feedbacks
View all comments

About karenheij

In 1988 ben ik afgestudeerd als toegepast taalkundige, gericht op toetsing van taalvaardigheid. Vanaf 1989 ben ik werkzaam geweest bij Bureau ICE waarvan de laatste 14 jaar als directeur. In die rol heb ik me bezig gehouden met alles wat met toetsing te maken heeft, van itemconstructie tot het bedenken van nieuwe vormen van toetsing en examinering, van het geven van trainingen tot het adviseren over beleid op het gebied van toetsing en examinering. Vanaf 1 april 2016 buig ik me als zelfstandig toetsexpert over de cultuur van toetsen in Nederland.

Category

onderzoek