In We Moeten Spelen toont Rob Martens overtuigend aan dat kinderen en jongeren spel nodig hebben voor hun ontwikkeling naar volwassenheid en dat spelen en leren onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Spelen is leren en goed leren is veel spelen, is de centrale stelling van het boek. Hij onderbouwt dat met een groot aantal voorbeelden uit de natuur, de evolutiepsychologie en de geschiedenis van de mensheid: vrijwel alle jonge dieren leren spelenderwijs gedrag aan dat ze nodig hebben om als volwassen dier te overleven, te kunnen samenleven met soortgenoten zich en voort te planten. In spel zijn wij, kinderen zowel als volwassenen, intrinsiek gemotiveerd. Al spelend leren wij het beste. De vraag is dan waarom in ons onderwijs spelen geen rol van betekenis heeft.

Rob Martens (2019). We Moeten Spelen. Wat onderwijs heeft aan een verkenning van de natuur. Driebergen: NIVOZ, 224 pag.
Hier bestellen.

Rob Martens is wetenschappelijk directeur van het NIVOZ en hoogleraar bij het Welten-instituut van de Open Universiteit, waar hij zich als psycholoog bezighoudt met motivatie-onderzoek.

Nou vooruit, misschien is dit niet HET belangrijkste boek; We Moeten Spelen is in elk geval één van de belangrijkste onderwijsboeken van dit jaar, samen met Gevormd of Vervormd? van Jan Bransen en De Terugkeer van het Lesgeven van Gert Biesta (maar dat is van 2018 😀). Hoeveel waardering ik ook heb voor boeken met tips en handreikingen aan docenten over de beste instructie- en toetsmethoden, deze drie boeken bouwen een sterke visie op over het doel en de inrichting van het onderwijs. We hoeven het niet met alles eens te zijn wat de auteurs ons voorschotelen; op zijn minst zetten hun boeken ons aan het denken en op zijn best inspireren ze ons om onze onderwijspraktijk te herzien en onze school anders in te richten.

We Moeten Spelen is een wat ongewoon boek. Op het eerste oog lijkt het rommelig van opzet. Martens herhaalt zijn argumenten vaak, maar meestal net iets anders met steeds weer andere voorbeelden uit de biologie en de evolutiepsychologie. Hij zegt aan het begin dat hij geen lineair, stapsgewijs pad zal volgen, maar eerder “een spiralend, langzaam maar zeker, afdalen in een duistere, onbekende grot. Daar ligt de complexe wereld van spel verborgen. Daar zien we dat eigenlijk heel weinig is wat het lijkt.” Die laatste uitspraak “Weinig is wat het lijkt,” komen we vaak tegen in het boek. Het is de basis van wat de filosoof Cornelis Verhoeven als verwondering beschouwde.

Verder belooft Martens weinig aan name-dropping te doen, maar hij kan het toch niet laten. Als je aan het eind van het boek bent zijn er een hoop namen voorbij gekomen die hij regelmatig heeft aangehaald, van o.a. Johan Huizinga, en Peter Gray, tot Friedrich Fröbel, Maria Montessori, Célestin Freinet en Jan Comenius. Dat is niet voor niets. Hij heeft ze nodig om zijn kernargument te ondersteunen, dat kinderen moeten kunnen spelen om te kunnen leren. Door zijn persoonlijke stijl is dit boek zelf een spel geworden; een speels onderzoek naar het belang of zelfs de noodzaak van spel in het onderwijs.

Alle slimme dieren spelen. Door middel van spel bereiden jonge dieren zich voor op het volwassen leven. Mensen hebben, vergeleken met andere dieren, een extreem lange jeugd. Hoe langer je jeugd, hoe meer je kunt leren. Daarom zou het onderwijs (veel) meer ruimte aan spel moeten bieden, zodat kinderen zich kunnen ontwikkelen tot wie zij zijn.

Wat is spelen?

Het valt niet mee om de vraag te beantwoorden wat spel precies is. Er is weliswaar een omvangrijke wetenschappelijke literatuur over spel bij mens en dier, maar over een precieze definitie is men het niet eens. Rob Martens noemt een aantal kenmerken:

  • Spel is vrijwillig, zodra het verplicht wordt, is het geen spel meer.
  • We hebben er plezier in, het is meeslepend en spannend.
  • Spel is vrijheid. We speler blijven spelen zolang het ons boeit en we nog niet moe zijn. We zijn autonoom.
  • Het dient geen extern doel, het doel zit in het spel zelf. Het is niet het ‘gewone leven’.
  • In het spel spelen we vaak in een rol.
  • Er is een fysieke of mentale begrenzing aan het spel, in tijd en plaats.

Spelen is noodzakelijk om te leren, bij de meeste slimme dieren en dus ook bij de mens.

Evolutie-psychologie

De argumenten voor deze stelling haalt Martens uit de biologie, de evolutie-psychologie en de vroege geschiedenis van de mensheid. Alle slimme zoogdieren spelen in hun jeugd en dat is niet voor niets; daarvoor bestaat een biologische noodzaak. Wanneer we jonge dieren niet toestaan te spelen worden ze doodongelukkig en gaan ze sterk afwijkend psychisch en sociaal vertonen en gaan vroeger dood dan soortgenoten die vrij kunnen spelen.

Door te spelen bereiden jonge dieren zich voor op het gedrag dat ze in hun volwassen leven nodig hebben. Jonge leeuwen bespringen elkaar en oefenen zo voor later wanneer ze een zebra vangen. Jonge chimpansees oefenen in het spel sociaal gedrag, waarmee ze in de groep kunnen functioneren. Zo staat het boek boordevol met voorbeelden die de noodzaak van spel illustreren.

Als andere dieren hun jeugd doorbrengen met spelen, geldt dat zeker ook voor mensenkinderen, die een extreem lange jeugd hebben van zo’n 20 jaar. En dan ligt de conclusie ook voor de hand: net als andere dieren hebben mensen spel nodig om te kunnen leren.

Kunst is een bijzondere vorm van spel, die al vroeg in de geschiedenis van onze soort, Homo sapiens, tot ontwikkeling kwam. Kunst voldoet aan alle kenmerken die ik hierboven aanhaalde. Mensen besteden al heel lang veel energie en tijd aan allerlei vormen van kunst. Ook al weten we niet precies wat ze betekenen, als we de vroegste menselijk kunstuitingen bekijken, ontkomen we niet aan de gedachte dat die een belangrijke rol hebben gespeeld in het sociale leven van onze voorouders en daarmee voor hun voortbestaan.

Een van de talloze tekeningen van Mark Schalkens die het boek opvrolijken.

De explosie aan creativiteit die we zien in de kunst van 30, 40.000 jaar geleden heeft geleid tot “de uitvinding van de pijl en boog, van een genialiteit waarbij zelfs de Mona Lisa verbleekt en waarbij de kwantummechanica niet meer is dan spitsvondig gepuzzel op papier.”

Die was ongetwijfeld het resultaat van creatief knutselen, experimenteren, klooien, van voorouders die in alle vrijheid hadden met allerlei materialen konden spelen. Onze voorouders kregen op een bepaald moment (waarschijnlijk op meerdere plaatsen en momenten in de wereld) het inzicht dat de veerkracht van een tak en een stuk touw een ander, recht takje met een scherpe punt tot een dodelijk afstandswapen maakt. Een prachtig voorbeeld hoe spel bijdraagt tot het overleven van onze soort, de stelling die centraal staat in Huizinga’s Homo Ludens. Spel legt samenhangen bloot, bevordert creativiteit en vindingrijkheid, brengt ons op nieuwe ideeën en oplossingen. Alleen maar leren wat al bekend is, zoals we op onze scholen meestal doen, brengt ons niet verder.

Hoe spel kinderen laat leren

Mijn kleindochter Jools (4) maakt aantekeningen in haar eigen schrifttekens. Voor mij onleesbaar, maar zij kan mij vertellen wat ze heeft opgeschreven.

“Begrijpen heeft alles te maken met leren,” zegt Martens. “En begrijpen, vertaald als het zien van onderliggende patronen is de cognitieve essentie van spel.” En even verderop: “Om iets te begrijpen moet je gedreven zijn dingen van alle kanten te bekijken, uit te proberen, fröbelen, rommelen, iets uit elkaar slopen, testen, inferenties maken, en steeds binnen bepaalde begrenzingen. Het verstand draait op maximale toeren.” (Zien we daar een parallel met onze Maker Education?)

Wanneer wij willen dat onze leerlingen niet alleen maar bestaande kennis reproduceren (en die vervolgens weer snel vergeten), maar die kennis ook werkelijk begrijpen, kunnen we hen het beste laten spelen. We laten hen dan van alles uitproberen, zelf uitzoeken hoe iets in elkaar zit en werkt. Dat kan door dingen te maken of te experimenteren, door veldwerk, maar net zo goed door bronnenonderzoek, waarin standpunten en stellingen aan de hand van feiten worden getoetst. Het gaat daarbij om het doorbreken van vooronderstellingen en vanzelfsprekendheden, ontdekken dat iets anders is dan je altijd dacht. Verwondering dus.

Diep leren

De onderwijspsychologie onderscheidt deep level learning, het leren begrijpen van diepere lagen van kennis, en surface level learning, oppervlakkig leren, reproductie van kennis zonder die echt te begrijpen. Een groot deel van ons onderwijs is gericht op het laatste. Het succes van allerlei examentrainingen laat zien dat je voor het eindexamen prima kunt slagen als je een aantal kunstjes hebt geleerd. Je hoeft het niet op een diep niveau te begrijpen. Maar wat heb je dan geleerd?

Wie gemotiveerd is om iets te leren, wil er ook dieper in duiken. Omdat spel ons zo sterk kan motiveren, liggen daar ongekende mogelijkheden om onze leerlingen diep te laten nadenken over de dingen die we hen willen leren. Ze leren verbanden leggen tussen verschillende kennisgebieden. De lesstof bestaat niet (zoals nu) uit afzonderlijke brokjes kennis waarvan de betekenis en relevantie voor de leerlingen onduidelijk is. Jan Bransen noemt dat in zijn boek Gevormd of Vervormd? ‘het leren van een landkaart zonder dat je het geheel overziet’.

Zo beschouwd is het verbazingwekkend dat we zo weinig gebruik maken van spel in ons onderwijs en dan niet om de lessen op te leuken, maar om ze betekenisvol te maken, om door te dringen tot de kern van het vak dat we geven. Het is verwonderlijk dat we onze leerlingen niet meer laten denken in plaats van reproduceren.

Voorwaarde is wel dat het spel vrijwillig is. Zodra we het verplicht maken, is het geen spel meer en is er geen sprake van intrinsieke motivatie. Bij spel gaat het niet om het doel, maar om de weg erheen. Spel moet bovendien onbelangrijk lijken, ‘niet echt’, maar wel ‘net echt’. Daarmee wordt spel: “een leermachine waarmee een context wordt gecreëerd waarin kinderen iets nabootsen uit de ‘echte’ wereld. “De grote paradox is dat het daarmee niet ook onbelangrijk is,” zegt Martens. Spel is een serieuze bezigheid.

Alle grote denkers, wetenschappers, kunstenaars, ontwerpers zijn speelse, nieuwsgierige geesten die hun werk als spel beschouwen. Martens illustreert dat met uitspraken van Einstein, Picasso, Tolstoi, Dijkgraaf en vele anderen. Ik geef er twee van Albert Einstein:

De meeste leerkrachten verspillen hun tijd door vragen te stellen die bedoeld zijn om te ontdekken wat een leerling niet weet, terwijl de ware kunst van het ondervragen tot doel heeft om te ontdekken wat de leerling weet of kan weten.1Vertaald met DeepL Translator.

Het is een wonder dat nieuwsgierigheid formeel onderwijs overleeft.

Concluderend, spel kan helpen tot echte verdieping te komen, jonge mensen leren denken en verbanden ontdekken. Ze leren daarbij ook algemene, niet-vak-specifieke denkvaardigheden, die ze in andere domeinen kunnen inzetten. Bovendien is spel in staat creativiteit op te wekken. Daarmee kan het, in de woorden van Martens, “als motor onder begrip en cognitie nauwelijks overschat worden.”

Intrinsieke motivatie

Een van de grote problemen waarmee we in onze dagelijkse praktijk te maken hebben is het gebrek aan motivatie van onze leerlingen. Dat wordt onder andere ook door onze Onderwijsinspectie gezien.

Rob Martens besteedt in zijn boek veel aandacht aan motivatie, wat niet vreemd is voor een gerenommeerd motivatie-onderzoeker. Hij wijdt een heel hoofdstuk aan de zelfdeterminatietheorie van Ryan en Deci. (Daarover hebben we op deze plaats eerder geschreven.) Hoewel zij het niet expliciet over spel hebben, vinden we veel van de kenmerken van spel die ik hierboven aanhaalde terug in hun theorie.

Ryan en Deci beschouwen een toestand van intrinsieke motivatie als onze natuurlijke toestand, waar we van nature toe geneigd zijn. Een leerling is in hun visie niet een vat waar we kennis in moeten gieten, maar een spons die kennis wil opzuigen. Een goede en rijke leeromgeving zorgt er dan ook voor de intrinsieke motivatie niet te verstoren, maar juist te bevorderen, zodat er voor die spons genoeg is om op te zuigen.

Om leerlingen intrinsiek te motiveren moeten drie psychologische basisbehoeften worden vervuld. Er moet sprake zijn van sociale verbondenheid: een goede relatie tussen leraar en leerling. De leerling moet zich met andere woorden vertrouwd, gezien, gewaardeerd en veilig voelen door de leraar en medeleerlingen. Vervolgens moet de behoefte aan competentie worden vervuld. De leerling moet het gevoel hebben dat hij iets zinvols doet, iets waar hij goed in is: ‘Ik kan het!’. De derde behoefte is die aan autonomie, het gevoel baas te zijn over je eigen leven, zonder controle en sturing. Niet alleen leerlingen varen hier overigens wel bij; hetzelfde geldt voor docenten en andere volwassenen, die het gelukkigst zijn en het beste functioneren in een omgeving die hun zelfdeterminatie bevordert.

Er is veel onderzoek dat laat zien dat intrinsiek gemotiveerde leerlingen en studenten meer gericht zijn op begrip dan op reproduceren. Ze zijn nieuwsgieriger, willen dingen uitzoeken, zijn meer bereid tot samenwerking en uitwisseling van kennis. Bovendien presteren ze vaak beter en hebben minder kans op uitval. Spel is bij uitstek in staat intrinsieke motivatie te bevorderen. “Spel – een playful mind – is de turbostand van intrinsieke motivatie,” schrijft Martens.

Voorbeelden van spel in de les

Op High Tech High hangen de gangen vol met de resultaten van projecten, volgens de filosofie van ‘Make Thinking Visible’.

In het boek komen diverse voorbeelden voorbij van scholen waar spel de kern van het onderwijs is, zoals de Essential Schools en High Tech High in de VS, de democratische scholen en Agora in Nederland. Die scholen hebben gemeen dat ze een verplicht opgelegd curriculum en verplichte toetsen afwijzen. En dat is, zoals gezegd, een voorwaarde voor spel. Die scholen hebben ook gemeen dat leerlingen het gevoel hebben de regie te hebben over hun eigen leven.

Een veel gehoord bezwaar is dat ze op die scholen dan wel weinig zullen leren. Immers, als je aan jongeren overlaat zelf te bepalen wat ze leren, kiezen ze natuurlijk de makkelijkste weg. Het tegendeel blijkt. Met een goede begeleiding en vertrouwen in een groeimindset worden ze voortdurend uitgedaagd hun grenzen te verleggen en de lat hoger te leggen.

Op High Tech High (San Diego, VS) heb ik gezien hoe dat kan en welk (hoog) niveau je met leerlingen kunt bereiken als je hen op een speelse manier in projecten laat leren. Dat begint daar al in de kleuterklas, zie Het geheim van High Tech High.

Het slagingspercentage voor de SAT, dat toegang geeft tot hoger onderwijs, is op HTH heel hoog, 99%. De high school is dit jaar nummer 2 op een ranglijst van beste scholen in de regio. N.B. daar gaat het om conventionele criteria om de kwaliteit van scholen te meten. De film Most Likely to Succeed laat zien wat de leerlingen daar nog meer meekrijgen voor hun verdere leven.

Deze jongens bouwden een plotter met Legomotoren aangestuurd door een Arduino controller.

In mijn eigen nlt-lessen Robotica liet ik leerlingen na minimale instructie zelf uitzoeken hoe je Arduino’s programmeert en daar allerlei leuke apparaten van maakt. Zo nodig hielp ik ze daarbij, of liet dat over aan leerlingen die daar al wat verder in waren. Ze mochten zelf bedenken wat ze gingen maken, als ze er maar lol in hadden. De resultaten waren bijna altijd origineler en beter dan toen ik nog braaf lesje-voor-lesje programmeer-instructie gaf. Alle leerlingen vonden deze lessen leuk en interessant, ook leerlingen die helemaal niets met computers en programmeren hadden.

Ook mijn natuurkundelessen werden interessanter toen ik mijn leerlingen zelf vragen liet stellen over onderwerpen als beweging, kracht, energie, waarbij ze zelf experimenten bedachten. Die vragen gingen veel dieper dan die in het boek, dat we dan ook een jaar lang niet hebben aangeraakt. Zie Verwondering in de les.

Goed spel is moeilijk, onze leerlingen moeten hun uiterste best doen om hun doel te bereiken. Maar omdat ze intrinsiek gemotiveerd zijn, lijkt dat betrekkelijk weinig moeite te kosten. Als we zo werken, zullen we merken dat we onze leerlingen aan het eind van de les de deur uit moet duwen omdat ze niet willen stoppen.

Ja maar

  • Ja maar, wat leren kinderen dan op school als we ze laten spelen en als het het curriculum en toetsen niet verplicht zijn?
  • Ja maar, ze moeten toch eerst de basiskennis beheersen voordat ze kunnen onderzoeken en nadenken?
  • Ja maar, we hebben geen tijd voor dat soort projecten. We moeten het lesprogramma afwerken en de leerlingen klaarstomen voor de eindtoets of het eindexamen.

Martens maakt een principieel punt, wanneer hij zegt dat de bewijslast – of spel werkt in het onderwijs – omgekeerd ligt. Degenen die de natuurlijke neiging van kinderen om te spelen onderdrukken, die spel verbieden of belachelijk maken, moeten zich afvragen wat de rechtvaardiging daarvan is. Dat geldt ook voor onderwijsonderzoekers, die spel en de intrinsieke motivatie die dat oplevert als irrelevant afdoen. Dat spel en de resultaten ervan moeilijk te onderzoeken zijn, is geen excuus. Het betekent niet dat ze er niet toe doen. Rob Martens:

Als je mij vraagt om uit te leggen hoe we spel kunnen gebruiken in onderwijs, zou mijn tegenvraag eerst zijn: wie heeft eigenlijk bedacht dat we jongeren iets willen leren door datgene uit te schakelen waarmee ze van nature leren? Het evolutionaire bewijs ligt voor het oprapen dat de lange jeugd van mensen, met onze lichamen die zo belachelijk lang letterlijk niet volgroeid genoeg zijn voor het echte werk, gemaakt is om het ‘onechte’ werk te doen. En dat is de wereld van het spel.

Kennis

Martens is geen naïeve onderwijsvernieuwer die beweert dat kinderen alleen maar moeten spelen, bijvoorbeeld door onderzoekend en ontdekkend leren. In de scholen die hij noemt waar spel een belangrijke rol speelt wordt ook geleerd zoals we dat gewend zijn. Kinderen leren daar lezen, schrijven en rekenen, doen examen en halen gewoon een diploma.

Natuurlijk hoeven kinderen niet alleen maar te spelen. Soms is het handiger om dingen op een efficiënte manier aan te leren, van buiten te leren en te oefenen. Woordjes, grammatica, de tafels, rekenvaardigheden. Kennis is gewoon nodig.

Spelend leren is niet kinderen aan hun lot overlaten. Integendeel, het vraagt van opvoeders en leraren voortdurende aandacht voor wat een kind op een bepaald moment nodig heeft. Zij moeten ook weerstand bieden aan een kind dat de gemakkelijkste weg kiest of zich ontwikkelt in een richting die voor het kind of de omgeving schadelijk kan zijn.

Tenslotte

Homo sapiens is Homo ludens, de spelende mens, zoals de historicus Johan Huizinga al vaststelde. Wij hebben van alle diersoorten de langste jeugd, die wij, als we niet worden gestoord, voornamelijk spelend doorbrengen. We hebben bovendien, in verhouding tot de massa van ons lichaam, veruit de grootste hersenmassa. Dat is niet voor niets. Wij zijn gemaakt om te spelen.

Wij denken vaak dat de dingen op onze scholen zo gaan omdat het nu eenmaal zo moet en niet anders kan. Maar scholen en leraren hebben een veel grotere vrijheid om het onderwijs naar eigen inzicht in te richten. Niets of niemand houdt je tegen om meer spel in je lessen toe te laten.

Wanneer deze denkwijze je aantrekt, hoef je niet meteen de hele boel overhoop te gooien. Begin rustig met een paar dingen in je lessen te veranderen. Bekijk welke overbodige elementen je uit het curriculum kunt schrappen, zodat je ruimte maakt om de diepte in te gaan. Ga eens met je klas de school uit. Begin met één project en doe dat samen met een of meer collega’s van andere vakken. Ga eens kijken op scholen waar ze meer ervaring hebben met spelend leren. Lees eerst dit boek en ga dan aan de slag. Veel plezier!

We moeten spelen!

Twee Nobelprijswinnaars, Wolfgang Pauli en Niels Bohr, aan het spelen met een tolletje. De meeste goede wetenschappers beschouwen hun werk als spel, waarin ze vrij en onafhankelijk kunnen denken en hun creativiteit ten volle benutten.

Reageer op dit artikel

avatar

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

  Subscribe  
Abonneren op

About Dick van der Wateren

Als blogger en onderwijsauteur denk ik na over onderwijs en pedagogiek. In 2016 verscheen bij Uitgeverij Ten Brink mijn boek 'Verwondering' waarin ik een lans breek voor onderwijs op basis van vragen die leerlingen zelf bedenken. Op het ECL in Haarlem heb ik talentvolle en begaafde leerlingen begeleid die meer uitdaging nodig hebben, en leerlingen gecoacht met diverse problemen - onderpresteren, perfectionisme, levensvragen. Na een lang leven in het onderwijs en de wetenschap ben ik in 2017 een filosofische praktijk begonnen, De Verwondering, in Amsterdam. Daar heb ik gesprekken met volwassenen zowel als jongeren over levensvragen, zingeving, werk, studie, relaties.

Category

onderwijs, onderzoek, opvoeding, pedagogiek, praktijk, psychologie, vernieuwingsscholen

Tags