Hoe komen we aan al die toetsen?

Reactie op Standaardtesten in het onderwijs. Moet dat nou?

Elk jaar weer is er een discussie over de waarde, nut en noodzaak van de verschillende standaardtoetsen die in het onderwijs worden afgenomen. De teneur is nogal eens dat de toetsen niks bijdragen aan goed onderwijs. Toch blijven ze bestaan. Enkele achtergronden zijn van belang.

Dé start van standaardtoetsen in het onderwijs in Nederland wordt gelegd bij het boek van A.D. de Groot (1966), “Vijven en zessen”. In dit boek beschrijft hij de praktijk in het onderwijs ten aanzien van beoordeling en selectie door docenten en leerkrachten. Naast een aantal methodologische bezwaren (de Groot was methodoloog), staat hij op tegen wat hij ziet als willekeur bij beslissingen over bevorderen of doubleren en zakken of slagen. Hij signaleert dat er bij deze beslissingen een veelheid aan argumenten een rol spelen die voor de schoolloopbaan van de leerling niet van belang zijn. Zo krijgt het kind van de handarbeider met gelijke cijfers, een lager advies dan het kind van de academicus, waarmee kinderen met min of meer gelijke cognitieve capaciteiten, toch zeer ongelijke kansen in het onderwijs en daarmee in het leven krijgen. Een feitelijke constatering die door opeenvolgende regeringen opgepakt is en verwerkt in wet- en regelgeving. Enerzijds omdat alle leerlingen gelijke kansen behoren te hebben, ook leerlingen uit zwakke milieus naar de universiteit moeten kunnen, anderzijds omdat werkgevers, industrie, goed- dan wel hoog geschoold personeel willen die deskundig zijn in hun vak en/of weten hoe ze een hamer moeten vasthouden. De keuze van de argumenten hangt (mede) af van de heersende politieke voorkeur.

Een belangrijke oorzaak voor de verschillende beoordelingen van leerlingen, attributie, is inherent verbonden met ons onderwijs: een leerkracht “kent” de leerling en “weet wat deze waard is”. Het proefwerk van de zwakke leerling wordt dan ook anders nagekeken dan het proefwerk van de excellente leerling. Aan de leerling worden kenmerken toegedicht die niet aanwezig zijn. De Groot pleit dan ook voor toetsen die samengesteld en beoordeeld worden los van de eigen docent(en) zodat dit fenomeen geen of weinig effect heeft op de schoolloopbaan van de leerling. De discussie over de geldigheid van de centrale (CITO) toetsen gaat dus deels over de professionaliteit, onafhankelijkheid en deskundigheid van docenten en leerkrachten. Het is daarmee een normatief argument.

Met de gestandaardiseerde toetsen reduceert De Groot, en dat is een veelgehoord verwijt, het resultaat van onderwijs tot beoordelingen voor taal, rekenen, wiskunde en Engels. Deze bedoeling wordt nogal eens bestreden. De taak van onderwijs wordt door velen immers breder dan dat gezien. De discussie over het ontbreken van thema’s in de toetsen of de onmogelijkheid om zaken in centrale toetsen op te nemen, gaat dus over het doel van het onderwijs zoals wij dat kennen. Het is daarmee een normatief of zelfs politiek argument.

Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft de politiek een grote bijdrage aan de hedendaagse situatie. De ontwikkelingen hieromtrent volgen de ontwikkelingen van het na-oorlogse Nederland. Na de oorlog moest het land opgebouwd worden en waren er arbeiders en ambachtslieden nodig. De kinderen van de arbeiders werden ook arbeider, de kinderen van de hoogleraar, en dat waren er niet zo veel, konden naar de universiteit. De steden werden opgebouwd, Flevoland aangelegd, infrastructuur hersteld.

De lancering van de Spoetnik (1958) maakte duidelijk dat wanneer het Westen niet zou investeren in kennis, het communisme spoedig de overhand zou hebben. Dit moment wordt gezien als de start van de onderwijskunde (in ieder geval in de USA), waarbij één van de doelen was om het aanwezige talent in de bevolking op te sporen en ieder wat betreft niveau een maximale opleiding te laten volgen. Dat het kind van de metselaar ook metselaar zou worden was niet langer gewenst. Een visie die nog steeds doorspeelt in ons huidige onderwijs en heeft geleid tot een explosieve groei in het Hoger Onderwijs. De koppeling van opleidingsniveau aan het salaris, heeft ook voor andere opleidingsniveaus de opwaartse druk verder gestimuleerd.

De sturing van de Inspectie op de resultaten van scholen, de hoeveelheid gestandaardiseerde toetsen die hiertoe ingezet wordt, moet m.i. in het licht van deze langdurige en algemene ontwikkelingen gezien worden. Zaken als efficiency-denken, bezuinigingen en de angst voor terugval in welvaart, hebben deze trend gestuurd.

De taak van het Basisonderwijs is thans om basisvaardigheden te onderwijzen en het niveau van het vervolgonderwijs te bepalen. Het voortgezet onderwijs wordt geacht dit niveau te realiseren en toe te leiden tot een arbeidsmarktkwalificatie of een vervolgopleiding. Het professioneel oordeel van de docent wordt hierbij ingewisseld voor standaard toetsen.

Referentie

Groot, A.D. de. (1966). Vijven en zessen. Groningen. JB Wolters.

About Paul Ket

Paul Ket studeerde onderwijskunde aan de universiteit Twente en is, na 10 jaar werkzaam geweest te zijn in de universitaire wereld en als teamleider in het vmbo (Wellantcollege), sinds kort weer docent wiskunde, verbonden aan Revius Lyceum Doorn.

No comments yet... Be the first to leave a reply!

Geef een reactie of deel je eigen ervaringen. Graag met je eigen naam ondertekenen, geen pseudoniemen. Anonieme reacties worden verwijderd.

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: