In deze gastblog bespreekt Joop Berding twee boeken van Daniel Pennac, In een adem uit – Het geheim van het lezen en Schoolpijn. Pennac heeft een heel interessante pedagogische visie op taal- en literatuuronderwijs, die sterk aan de opvattingen van Theo Thijssen doen denken. Hij vindt dat kinderen vooral plezier in lezen moet worden bijgebracht en niet meteen met allerlei saaie opdrachten worden lastig gevallen.

Deze bespreking verscheen in iets andere vorm in Inkt!, nr. 6, maart-april 2010, pp. 12-14.

Joop Berding is pedagoog en auteur. Hij publiceert regelmatig over pedagogische onderwerpen, meest recent Opvoeding en onderwijs tussen geduld en ongeduld (Garant, 2019). Een overzicht is te vinden op www.joopberding.nl.

De Franse auteur Daniel Pennac, in 1944 geboren in Casablanca, is bekend om zijn romans en jeugdboeken waaronder Zondebok als beroep uit 1985.1Hij heeft ook meegewerkt aan een paar afleveringen van Lucky Luke. Minder bekend is zijn essayistisch werk waarin hij zich laat kennen als een hartstochtelijk pleitbezorger van taal- en literatuuronderwijs op de middelbare school. Dwars ingaand tegen het competentiegerichte onderwijs dat sinds een jaar of wat de toon aangeeft in grote delen van het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en de zogenaamde zelfstudie in het voortgezet onderwijs, pleit Pennac voor zoiets anachronistisch als ‘langzaam – zelf – lezen’. En hij doet dat met enig gezag want anders dan veel andere onderwijs(des)kundigen kent hij het vak van leraar uit de eerste hand. Ik bespreek twee boeken van Pennac, het eerste uit 1992 getiteld In een adem uit. Het geheim van het lezen en Schoolpijn uit 2007.

Literatuuronderwijs

In een adem uit, oorspronkelijk getiteld Comme un roman is gebaseerd op de jeugdige leeservaringen van Pennac. In zijn ouderlijk milieu – zijn vader was officier – werd lezen niet bepaald aangemoedigd, wellicht herkennen enkele lezers ouderlijke aanmaningen als ‘Hou toch op met lezen, je verpest je ogen!’ of ‘Ga toch ‘ns buitenspelen’. Maar, zoals zovelen, werd de jonge Pennac opgeslorpt door Anna Karenina en haar geliefde en ‘wat had je die roman snel uit’. Lezen is een paradoxale activiteit: we trekken ons uit de wereld terug juist om er de betekenis van te ontdekken.

Maar ja, dan begint het literatuuronderwijs op school, ‘en daar zit hij nu: een puber, opgesloten op zijn kamer met een boek dat hij niet leest’. Pagina 48, daar is hij pas, nog bijna 400 te gaan …. En wat er op die reeds gelezen bladzijden staat, geen idee meer.

Ondertussen woedt er in gezinnen en onder deskundigen een debat over het aantal uren dat een kind voor de televisie en de pc doorbrengt, en het aantal uren dat hij taalles op school krijgt, een verhouding van ongeveer 7:1. Tsja, de jeugd van tegenwoordig leest niet meer, afgeleid als ze is door zoveel andere zaken. Aan de andere kant, iedereen leest minder, zegt men.

Pennac denkt terug aan de kindertijd, het voorgelezen worden: een ritueel dat veel weg had van een gebed, met zijn speciale intimiteit. De eindeloze hervertelling van Klein Duimpje, alsof dat het enige verhaal ter wereld was. En hoe er weleens werd gedreigd met ‘dan lees ik vanavond niet voor!’

En toen was er de school en het ‘moeten’ lezen. En het kind ontdekt de auteur in hemzelf: op een mooie morgen staat daar zomaar ‘roos’ of ‘vis’. Door het aan elkaar verbinden van een paar lijntjes heeft het kind de steen der wijzen gevonden. Dàt leesplezier: daar wil Pennac aan vasthouden, of liever gezegd terughalen, redden uit het ‘moeten’ lezen en het ’niet van lezen houden’. Ouders en leraren zitten het lezende kind veel te veel op de huid, zegt Pennac, alles moet zo snel mogelijk, ons onderwijs moet immers wat ‘opleveren’.

Van lezen houden

Ondertussen is onze puber met z’n nog resterende 400 bladzijden aan het worstelen. Weliswaar heeft hij een tv-verbod maar ja, somt Pennac ironisch op, dan zijn er altijd nog de pianoles, judo, tennis, zeilkamp, ritmische gymnastiek …. Vooral zorgen dat-ie zich niet verveelt. Maar hij zal toch niet gaan zitten blijven op een onvoldoende voor taal ..? Ondertussen gaan de lessen door, want ‘lezen moet’ en samen creëren leraar en leerlingen een schijnwereld die bestaat uit verslagen met overgeschreven citaten uit overgeschreven andere verslagen en uittrekselboeken. Lezen, inderdaad, dat hoor je op school te doen en thuis, maar waar leer je houden van lezen?

Het kan wél, zegt Pennac, als de leraar zijn werk niet ziet als het instampen van kennis maar als het aanbieden van wat hij weet. Zo’n leraar analyseert de tekst niet kapot, maar is een soort troubadour die mensen de ogen opent en lichtjes aansteekt. Zo’n leraar leest zelf voor en ‘maakt van het lezen werkelijk een geschenk’.

Wat dat in de praktijk betekent vertelt Pennac vanuit zijn eigen ervaringen als leraar Frans; zo’n dikke drieduizend leerlingen heeft hij in 20 jaar voor zich gehad. Ze verkeren op de grens van hun eigen ‘coole’ wereld en de school die ze geen barst interesseert, en van lezen houden de meesten al helemaal niet. Groot is de consternatie als Pennac gaat voorlezen … het enige wat ze hoeven te doen is … luisteren. ‘Gaat u ons dat hele boek voorlezen? … Hardop?’ ‘Hoe zou je me anders kunnen horen? Moet ik soms fluisteren?’

En de leraar leest, Het Parfum van Patrick Süskind en na een uur … gaan de leerlingen vragen stellen, discussiëren … ‘Het begint te komen’, zegt Pennac. Het is eigenlijk verbijsterend eenvoudig, maar het werkt; de eerste leerlingen beginnen stukjes tekst uit hun hoofd te leren en zelf te lezen. En zo ontdekken ze die paradoxale intimiteit: de schrijver en ik.

En de leraar? Een ‘koppelaar’ noemt Pennac hem die op tijd de scene dient te verlaten. En weer houdt hij een pleidooi om te wachten … te wachten op de vragen die vanzelf zullen komen.

De ‘lijst’

Maar is er dan niet zoiets als ‘de lijst’? Het leerplan? Aan de verplichte lesstof zijn leraar en klas nog niet toegekomen maar dat gaat vanzelf, al ‘vrij zwevend’ pakken ze ook de verplichte literatuur op. Die de leerlingen natuurlijk moeten ‘begrijpen’. Dat begrijpen is volgens Pennac onderdeel van het spel: je moet vooral de ander (bijvoorbeeld de examencommissie) de indruk geven dat je het hebt begrepen.

Maar waar haal je de tijd vandaan om te lezen? Dat is niet alleen een vraag voor deze pubers maar eigenlijk voor iedereen, immers: ‘Het leven is een voortdurende belemmering om te lezen’. Het openbaar vervoer is de grootste leeszaal ter wereld. Lezen is een manier van leven, en als een boek je niet bevalt, dan leg je het toch weg?

Aan de andere kant – en dat zal de lezers van dit blad2Dit stuk verscheen voor het eerst in 2010 in Inkt! bekend voorkomen – wekken weinig voorwerpen zo het gevoel op van persoonlijk eigendom als een boek. Mijn eigen boeken zijn na lezing vaak niet herkenbaar meer, zo zitten ze onder de streepjes, plakkertjes, exclamaties enzovoort (ook mijn boeken van Pennac ondergingen dit lot). Tegen het eind van dit pamflet presenteert Pennac de tien onaantastbare rechten van de lezer, waarvan het eerste luidt ‘het recht om niet te lezen’, een ander ‘het recht om te herlezen’ en weer een ander ‘het recht om te zwijgen’. En hij concludeert:

Lezen is voor de mens een samenzijn dat geen enkel ander gezelschap vervangt maar ook door geen enkel ander gezelschap vervangen zou kunnen worden. Lezen biedt een mens geen enkele verklaring voor zijn lot maar weeft een dicht netwerk van verstandhoudingen tussen hem en het leven.

‘Moeilijke’ leerlingen

Al met al een prachtig pleidooi voor het lezen en voor een pedagogische omgang daarmee. Veel van deze gedachten, met name over het écht, ‘diep’ lezen van literatuur, ook met de meest achtergestelde ‘moeilijke’ leerlingen, werkte Pennac verder uit in zijn boek Schoolpijn (oorspronkelijke titel Chagrin d’école). Hij plaatst niet alleen het lezen maar het taalonderwijs en het gehele onderwijs als zodanig in het perspectief van ‘de moeilijke leerling’. Dat was Pennac zelf namelijk ook en hij vindt het een wonder dat het toch nog ‘goed’ gekomen is. Of nee, het was meer dan een wonder: dankzij twee of drie attente leraren die hem stimuleerden, zowel in de taal als in de wiskunde, overwon hij zijn angst om te leren.

Dit boek is een groot pleidooi voor de terugkeer van de pedagogische relatie tussen leraar en klas, inclusief die moeilijke leerlingen. Met groot pedagogisch, psychologisch én vakinhoudelijk inzicht laat Pennac zien waar het mis ging: het wantrouwen tussen leraren en leerlingen, tussen overheid en scholen, tussen ouders en leraren, het niet aansluiten bij en geen begrip hebben voor de moeilijkheden die leerlingen moeten overwinnen om te gaan leren. Moeilijkheden die bij de leerlingen het (zelf)beeld heeft gevestigd: ‘Ik kan er toch geen bal van, het wordt toch niks’.

Pennac maakt van hun uitspraak: ‘het wordt toch niks’ een fraai staaltje grammatica en ontleedkunde, samen met de leerlingen. Hij gaat literatuur voorlezen, we zagen het al; zijn leerlingen gaan stukken uit het hoofd leren, hij maakt er een competitie van, het werkt! Hij komt wel eens oud-leerlingen tegen die deze teksten, een gedicht, een romanfragment, na 25 jaar nog uit hun hoofd kunnen opzeggen.

‘Alles wordt vloeibaar’, zo zou ik de aanpak van Pennac willen noemen. Begin bij het begin en dat is, bij de ‘moeilijke’ leerling per definitie een pedagogisch-psychologisch begin, niet een vakinhoudelijk begin. Maar dat laatste moet er wel komen! Daar is Pennac ook duidelijk over: het is de taak van leraar de leerlingen, moeilijk of niet, te laten kennismaken met de grote tradities, uit de taal en de geschiedenis én de wiskunde.

Een successtory?

Is dit nu de zoveelste successtory van die o zo met zijn leerlingen begane leraar? Deels ja. Maar Pennac erkent, en dat siert hem, ook de mislukkingen: de kinderen bij wie hij niet door de ‘ik kan toch niks’-barrière heen kwam. En hij beschrijft cynisch de voortdurende wisselingen in onderwijsbeleid waar het onderwijs zelf steeds maar achteraan holt. En nog harder zet hij zich af tegen degenen die op basis van incidenten met jongeren, die er zeker zijn, alleen maar doemscenario’s ontvouwen over de teloorgang van zo ongeveer de hele westerse beschaving.

Prachtig zijn daarnaast Pennacs jeugdherinneringen als ‘moeilijke’ leerling en zijn relatie in dat opzicht met zijn moeder, vader en broer Bernard. Het boek eindigt met een scene waarin Pennac beschrijft hoe een zwaluw tegen een raam vliegt en even bewusteloos blijft liggen. ‘Een neergestorte zwaluw is een zwaluw die weer bij kennis gebracht moet worden, punt uit’, zo concludeert hij.

Beide boeken zijn prachtige, nee verplichte kost voor boekenliefhebbers en voor alle lerarenopleidingen die geen vakboeren maar pedagogische leraren willen opleiden.

0 0 vote
Article Rating
Abonneren
Abonneren op
guest

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments

About Gastblogger

Gastbloggers publiceren op uitnodiging en op persoonlijke titel. Hun visie is niet noodzakelijkerwijs de visie van het Blogcollectief. Commerciële uitingen worden niet geplaatst.

Category

onderwijs, pedagogiek, praktijk, taal

Tags

, ,