Twee maanden geleden schreef Wim van de Hulst Overdenkingen rond Curriculum.nu. Daarin presenteerde hij een gedegen analyse die ook in de Tweede Kamer is gehoord. Dit vervolg, geschreven met het oog op het komende Kamerdebat, is meer een persoonlijke opinie, vanuit de zorg dat een proces dat goed is begonnen op het verkeerde spoor dreigt te raken.

In het eerste blog richtte ik me vooral op grote onvolkomenheden in het proces. Zo was duidelijk dat elementaire regels van curriculumtheorie genegeerd waren: Een goede analysefase ontbrak bijvoorbeeld, evenals een heldere visie op de concrete implementatie van het geheel. Grote boosdoener was mijns inziens de grootschalige, enigszins bombastische opzet van het project. De vaste formats en uniforme deadlines van deze aanpak voorkwamen dat er sprake kon en kan zijn van een cyclisch en dynamisch proces, zoals dit aanbevolen wordt door deskundigen op het terrein van curriculumontwikkeling. De aanpak zou zo naar mijn idee ook niet leiden tot de gewenste versterking van de professionele ruimte voor leraren.

Om de herziening niet geheel stil te laten vallen stelde ik als alternatief voor om het instellen van een ‘permanent college voor het curriculum’ naar voren te halen en dit college al direct de regie te geven over het vervolgtraject. Hierdoor zou een meer dynamische en kleinschaligere aanpak mogelijk worden. Hier en daar zijn immers bijvoorbeeld gedegen pilots wel degelijk nodig, terwijl elders verbeteringen, waarvoor wel al breed draagvlak bestaat, eventueel snel geïmplementeerd kunnen gaan worden.

Verstorende ontwikkelingen

Ik kan niet anders dan vol lof zijn over de serieuze wijze waarop de leden van de vaste Kamercommissie zich vorige maand nader hebben laten informeren. De vraagstelling tijdens de gehouden hoorzittingen was open en adequaat en een breed scala van genodigden werd in de gelegenheid gesteld om vanuit specifieke invalshoeken inbreng te leveren. In eerste instantie was ik dan ook optimistisch over het vervolg. Enkele recente ontwikkelingen deden dit aanvankelijke optimisme echter afnemen. Ik zal trachten ze een voor een te benoemen.

Allereerst waren daar de stakingen van eind januari. Duidelijk is dat er grote problemen zijn in het onderwijs. Zaken als werkdruk en lerarentekort, ik hoef ze hier niet meer te benoemen. Maar breder en dieper dan dat: Er lijkt een steeds groter wordende vertrouwensbreuk te zijn ontstaan. Het door de minister getoonde gebrek aan gevoel voor urgentie leidt onder leraren tot weer meer moedeloosheid enerzijds of tot een opgefokte sfeer met de begrijpelijke roep om hardere acties anderzijds. Maar helaas: Dit is juist niet de sfeer waarin we goed en rustig met elkaar het gesprek aan kunnen gaan over het curriculum: Over wat we nu precies willen met ons onderwijs…

En in deze verstoorde sfeer kwam daar opeens een konijn uit de hoed van de bestuurlijke organisaties: Het “pact” voor “de toekomst van ons onderwijs”. Eigenlijk vind ik het ronduit onbehoorlijk! De verantwoordelijken voor dit ‘discussiestuk’ zijn voor een belangrijk deel precies die organisaties die via de Coördinatiegroep ook verantwoordelijk waren voor Curriculum.nu. En terwijl de politiek hard zijn best doet om aan de zwakke en deels ondeugdelijke voorstellen voor de curriculumherziening toch een zinvol vervolg te geven, heb je de onbeschaamdheid om, alsof er geen enkele lopende discussie is, met een nieuw, pretentieus maar vrijblijvend vergezicht te komen. Wat een arrogantie!! Wat een misplaatste timing!!

Waarom maak ik mij hier zo boos over? Dat is omdat in dit nieuwe stuk precies de fouten herhaald worden, waar ook Curriculum.nu mank aan ging. Het idee dat als je nu maar een aantal organisaties bij elkaar brengt –ja, nu zelfs een heus “pact” vormt–, dat daar dan vanzelf de goede ideeën uit voort zouden komen. Het poldermodel verandert in die andere Nederlandse verworvenheid: Hutspot. In plaats van dat iedereen zijn of haar eigen verantwoordelijk kent en waar maakt, wordt alles bij elkaar gegooid en tot een grote brei geprakt. Maar zolang organisaties als po-raad en vo-raad hun kop in het zand blijven steken en niet willen inzien dat zijzelf ook (of juist?) onderdeel zijn van het probleem, valt er van dit soort brede initiatieven naar mijn idee helaas weinig heil te verwachten.

En natuurlijk al helemaal niet als belangrijke organisaties van lerarenvertegenwoordiging (AOb, Lerarencollectief in oprichting) al niet eens bij het ‘pact’ betrokken blijken.
En tenslotte was er dan kortgeleden natuurlijk ook nog de instelling door de minister van de Commissie onderwijsbevoegdheden. Mede doordat de commissie bij de presentatie weinig tactisch gelinkt werd aan het lerarentekort ontstond onder docenten direct de (waarschijnlijk terechte) vrees dat vooral ingeleverd zal gaan worden op de kwaliteitseisen.

De kansen van de curriculumdiscussie

Misschien spreek ik hiervoor wat al te negatief van “verstorende ontwikkelingen”. Er zijn grote actuele problemen als lerarentekort, kansenongelijkheid en werkdruk. En natuurlijk vereisen die aandacht (en zo nodig stakingen). Daar is niets mis mee. Maar we moeten de waan van de dag wel blijven onderscheiden van het gesprek over de langetermijnvisie. Er is al voldoende onrust in het onderwijs en de mensen die er werken zijn al voldoende belast. Daarom dient het gesprek over wat we op de lange termijn met ons onderwijs willen even behoedzaam en rustig als adequaat aangepakt te worden.

In de hoorzittingen over Curriculum.nu leek daar een hele goede aanzet toe gegeven te worden. Vandaar dat ik wat somber werd toen die goede aanzet al snel weer ondergesneeuwd leek te raken door stakingen en debatten waarin de waan van de dag soms weer de boventoon leek te gaan voeren. En lerarentekort, werkdruk en bijvoorbeeld passend onderwijs… Het zijn stuk voor stuk dossiers die in een moedeloos makende patstelling verzeild geraakt lijken te zijn. Begrijp me niet verkeerd: Het zijn belangrijke dossiers. Urgente dossiers die om een oplossing schreeuwen. Ik wil dat zeker niet bagatelliseren. Maar linksom of rechtsom: Voor oplossingen zijn goede, bekwame en enthousiaste docenten nodig. Laten we daarom de besluitvorming over het curriculum aangrijpen als een kans om de moedeloze sfeer van verstoord vertrouwen voorzichtig maar duidelijk en onmiskenbaar om te buigen.

De discussie over het curriculum gaat in essentie immers om de vraag wat wij als samenleving precies met ons onderwijs willen, over welke kennis en welke ontwikkeling we onze kinderen gedurende hun (verplichte) schooltijd mee willen geven. Vandaar ook dat het zo bizar en stompzinnig was dat vo- en po-raad en hun aanverwante organisaties opeens deze discussie doorkruisten met een nieuw vrijblijvend en vaag discussiestuk over ‘de toekomst van ons onderwijs’. Nee, de echte discussie over de toekomst van ons onderwijs gaat over het curriculum, het meest basale en essentiële onderdeel van het onderwijsbeleid. En die discussie zit nu in de fase dat de Kamer aan zet is! Laat de Kamerleden daar nu een goede en hoopgevende koers voor vinden. En in die zin is het instellen van de commissie over de herziening van de bevoegdheden eigenlijk ook prematuur. Je moet immers eerst je visie op het curriculum vastleggen voordat je weet wat dit betekent voor de soort docenten die je nodig hebt.

Mogelijke obstakels op de weg

Het mag duidelijk zijn dat ik een groot belang hecht en een grote waarde toedicht aan een goed vervolg van de curriculumdiscussie in de Tweede Kamer. Ik ben en blijf er ook optimistisch over. Toch liggen er mogelijk nog wel valkuilen en obstakels op de weg.

De eerste valkuil lijkt mij dat de politiek al in één keer te veel ‘spijkers met koppen’ wil slaan. Van Kamerleden wordt natuurlijk verwacht dat zij slagvaardig en daadkrachtig hun taak vervullen. We spreken hier echter over een visie en beleid voor de lange termijn en de voorstellen die op tafel liggen zijn nog te zeer onder de maat om op basis daarvan nu al specifieke en mogelijk verstrekkende keuzes te maken. Daarnaast is het absoluut niet zo dat het vigerende curriculum zo enorm problematisch is dat herziening ook al op stel en sprong doorgevoerd zou moeten gaan worden. Ik hoop daarom dat de Kamerleden zich niet nu al laten verleiden tot al te specifieke keuzes, maar dat zij vooral een helder en duidelijk signaal afgeven hoe zij een goed en adequaat vervolgtraject voor zich zien.

Een probleem daarbij is wel het volgende: De beste optie voor zo’n vervolgtraject lijkt het nu al instellen van zo’n ‘permanente commissie voor het curriculum’ te zijn. Probleem is dan echter dat ook het instellen van zo’n commissie zeker toch de nodige tijd zal vragen. En het is ongewenst dat het proces dan ondertussen volledig stil valt.

Oplossing voor dit probleem zou mijns inziens kunnen zijn om als overbrugging een tijdelijke commissie in stellen, waarvoor een wettelijke onderbouwing dan niet direct nodig is. Wel is het dan zaak om leden voor deze tijdelijke commissie niet te werven uit de bestuurlijke middenlaag (dus niet uit de oude Coördinatiegroep!!), maar onder deskundigen met een basis en gezag in de praktijk.

Alleen al terugkijkend naar het ronde-tafel-debat en de hoorzittingen denk ik dat zulke mensen zeker wel te vinden zullen zijn: Mensen met een evidente deskundigheid op het terrein van curriculumontwikkeling en met die soort kwaliteit en statuur, waardoor draagvlak min of meer vanzelfsprekend is. Daarnaast zou er ook iemand uit de SLO in de tijdelijke commissie plaats kunnen nemen. Zo kan gewaarborgd worden dat er een korte lijn bestaat met degenen die het grootste deel van het werk zullen moeten gaan doen.

Dat werk zou immers bestaan uit het grondig (opnieuw) doorlopen van de voorstellen, nu voor een duidelijke analyse van wat precies een continuering van bestaande kerndoelen is en wat echte wijzigingen zouden zijn. En uiteraard een deugdelijke analyse wat reden en doel van deze eventuele wijzigingen zijn. Daarnaast zal uiteraard ook bezien moeten worden wat de praktische consequenties zouden zijn bij brede implementatie van eventuele wijzigingen. Hiertoe zouden eventueel al pilots georganiseerd kunnen worden.

De tijdelijke curriculumcommissie zou slechts een coördinerende taak hebben en mijns inziens moeten werken onder verantwoordelijkheid van het ministerie. Het eigenlijke werk wordt uiteraard verricht in deelcommissies waarvoor naast mensen van de SLO dan ook vakdidactici, leraren en vertegenwoordigers van vakverenigingen gevraagd kunnen worden.

Als derde probleem wil ik de vertegenwoordiging van en namens de leraren noemen. Dit is een oud en hardnekkig probleem, waar ook door de politiek al langdurig mee geworsteld wordt. Denk bijvoorbeeld aan de nota ‘Verkenning leraren’ (Rinnooy Kan, 2018).

De gewenste sterke positie van de beroepsgroep bestaat helaas nog niet. Maar gelukkig zijn er op dit vlak wel enkele positieve ontwikkelingen. Juist een dezer dagen gaat bijvoorbeeld het nieuwe Lerarencollectief echt van start. Hiermee kan ook het primair onderwijs hopelijk een duidelijke inhoudelijke stem in het debat gaan krijgen. En ook bij de grootste vakbond, de AOb, is er een ontwikkeling om zich enigszins los te willen maken van het bestuurlijke pluche en zich meer te richten op werkelijke vertegenwoordiging van de leden.

Bij de federatie van vakverenigingen (FvOv) bleek tijdens de hoorzittingen dat aangesloten vakverenigingen soms aanmerkelijk kritischer waren over de voorstellen dan het centrale bestuur. Hopelijk kan naar aanleiding hiervan (liefst mede ook in overleg met het platform VVVO) een herziening van de organisatie in gang gezet worden, opdat de visies van de verschillende vakken en vakverenigingen toch echt beter in het debat ingebracht kunnen worden. Ik hoop oprecht dat dit op korte termijn van de grond zal komen.

Maar het zou in ieder geval mooi zijn als tijdens het komende overleg over het curriculum in de Kamer alle voorzichtige positieve tendensen richting betere vertegenwoordiging van de beroepsgroep ondersteund zouden worden. Hierbij denk ik dan niet alleen aan het (opnieuw) expliciet benoemen hiervan, maar een oproep om ook het nieuwe Lerarencollectief nadrukkelijk bij het vervolgtraject te betrekken zou m.i. zeker niet mogen ontbreken.

De goede weg vooruit…?

Ik realiseer me heel goed dat ik mogelijk wat te optimistisch ben, naïef zelfs misschien. We leven in een moeilijke tijd waarin niet alleen het onderwijs maar feitelijk de hele publieke sector onder druk staat. In mijn eerste blog verwees ik al even naar een artikel van de Zweedse curriculumexpert Lundgren (2015). Deze beschrijft in zijn artikel dat onderwijs- en curriculumbeleid mede samenhangen met maatschappelijke ontwikkelingen. Na een lange periode van grote ruimte in het beleid door economische groei, is er de laatste decennia in toenemende mate sprake van krapte. Dit heeft ook in het onderwijs in eerste instantie geleid tot een toenemende focus op meetbare uitkomsten als reguleringsinstrument en vervolgens tot een tendens om te komen tot steeds meer “efficiëntie”: Meer resultaat voor hetzelfde of zelfs voor minder geld. Het is onmiskenbaar deze tendens die geleid heeft tot de recente onvrede en stakingen in diverse onderdelen van de publieke sector.

Of en in welke mate er echt sprake is van krapte en hoe je hier mee om moet gaan is natuurlijk een politieke keuze en hier wil ik nu maar niet op in gaan. Feit is wel dat de roep om extra geld breed gehoord wordt en dat die roep vanuit de politie, de rechtspraak of de (geestelijke) gezondheidszorg waarschijnlijk even legitiem of mogelijk soms zelfs urgenter is als die vanuit het onderwijs. En laten we wel wezen: Door de vergrijzing zal het in alle sectoren steeds moeilijker worden om voldoende personeel te vinden.

In het onderwijs is er echter sprake van nog een specifieke extra ontwikkeling: Twee stromingen, die al eeuwen in het onderwijs aanwezig zijn, blijken opeens weer scherper tegenover elkaar te komen staan. Enerzijds is er een groeiende groep scholen en leraren waar men de toegenomen werkdruk wil bestrijden door een ‘terugkeer’ naar de basis: Goed en effectief onderwijs door degelijke instructie, waarbij de overdracht van kennis de basis is en in de aanpak centraal staat. Anderzijds zijn er de ‘vernieuwers’, die het starre dictaat van de efficiëntie juist afwijzen omdat dit geen recht zou doen aan de leerlingen als zich ontwikkelende individuen. Zij zoeken daarom naar hele andere manieren om het onderwijs vorm te geven.

Het is de unieke situatie van het Nederlandse onderwijs dat deze beide vormen naast elkaar kunnen bestaan. De strijd lijkt zich echter te verharden en beide kampen trachten in de curriculumdiscussie enigszins hun gelijk te bevechten. Dat is geen goede zaak en de discussie zou gebaat zijn bij een meer open en respectvolle houding ten opzichte van elkaar.

Het is sowieso ondenkbaar dat er nu vanuit de politiek voor een van beide kampen gekozen kan gaan worden. Nee, we moeten ons realiseren dat die diversiteit juist ook de kracht en de rijkdom van het Nederlandse onderwijs is. Hier liggen ook de mogelijkheden voor de toekomst. Rosa van Gool (2020) beschreef kort geleden in een mooi artikel in De Groene drie basisscholen die elk op hun eigen manier door duidelijke keuzen een vorm vonden om hun onderwijs vorm te geven en voortdurend te blijven verbeteren. Deze situatie van diversiteit, waarbij kwaliteit op schoolniveau door goede docenten ingevuld en vormgegeven kan worden, lijkt het ideale toekomstperspectief voor ons onderwijs.

Dit betekent dat de huidige curriculumherziening moet leiden tot kaders die enerzijds voldoende duidelijk de minimale inhoud en kwaliteit waarborgen, maar anderzijds voldoende ruimte geven aan de nadere ontwikkeling op schoolniveau. Ja, deze zelfs stimuleren.

Dat is nog een lastige klus, maar zeker niet onmogelijk. Hopelijk leidt het tot een situatie en een sfeer waar leraren en schoolleiders weer echt trots op hun vak kunnen zijn. Meer status en autonomie kan immers al leiden tot een afname van het gevoel van werkdruk. Dat neemt uiteraard niet weg dat er ook nog financiële en/of organisatorische maatregelen nodig zijn om de werkdruk ook reëel te doen afnemen en het beroep aantrekkelijker te maken. Dat blijft onverkort urgent. Maar laten we de curriculumdiscussie in ieder geval benutten om ons werk inhoudelijk de waarde te geven die het kan en moet hebben. Of je nu werkt op een school waar je functioneert als goede inspirerende coach of op een school waar je werkt als sterke en deskundige vakdocent. En wie weet groeit het in de praktijk uiteindelijk wel uit naar een gezonde combinatie van beide. Wie zal het zeggen?

Ik verwacht nu niet direct een grote revolutie, maar ik hoop vurig op een onmiskenbare bijsturing van de koers. Ik wens de Kamerleden een goed en vruchtbaar debat toe!

Literatuur

van Gool, R. (2020). Wat wil de leraar? Geen uitvoerboer maar onderwijsarchitect. De Groene Amsterdammer, 144(5) [29 jan. 2020].
https://www.groene.nl/artikel/geen-uitvoerboer-maar-onderwijsarchitect

Lundgren, U. P. (2015). What’s in a name? That which we call a crisis? A commentary on Michael Young’s article ‘Overcoming the crisis in curriculum theory’. Journal of Curriculum Studies, 47(6), 787-801.

Rinnooy Kan, A (2018). Verkenning leraren.
https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2018Z20970&did=2018D54214 ]

0 0 vote
Article Rating
Abonneren
Abonneren op
guest

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

1 Reactie
nieuwste
oudste meest gestemd
Inline Feedbacks
View all comments

About Gastblogger

Gastbloggers publiceren op uitnodiging en op persoonlijke titel. Hun visie is niet noodzakelijkerwijs de visie van het Blogcollectief. Commerciële uitingen worden niet geplaatst.

Category

onderwijs

Tags

, ,