Het curriculum als brug naar beter onderwijs

Mijn eerste gedachte bij Onderwijs 2032 vorig jaar? Wat een enorme kans! Leraren willen graag meer zeggenschap over de inhoud. Zo hebben we net een gedrocht als de Rekentoets over ons heen laten komen, zoiets hoeft in een nieuwe structuur niet meer te gebeuren. We kunnen rondom het curriculumproces de noodzakelijke ondersteunende en netwerkstructuren bouwen om het onderwijs als geheel te verbeteren. En hiermee kunnen we eindelijk de tijd en ruimte richting de politiek opeisen die gewoon nodig zijn voor goed onderwijs. Ik zie het curriculumontwerp als brug naar beter onderwijs. Optimisme vanuit een gezonde dosis realiteitszin dus.

Dat is één kant van het verhaal. Mijn tweede? Oef, hoe gaan we dat in godsnaam voor elkaar krijgen? Dat komt voort uit dertien jaar ervaring als lijdend voorwerp van onderwijsbeleid. Wij geschiedenisdocenten hebben er ook net een tienjarig debat over het geschiedeniscurriculum op zitten en we zijn nog maar net met een nieuw examenprogramma begonnen. We krijgen pas net een beetje inzicht in wat werkt en wat niet werkt.

Daarnaast zijn we op UniC al lang bezig om vakoverstijgend onderwijs vorm te geven, en de meeste mensen hebben geen idee hoe tijdrovend het kan zijn om het echt anders te doen, en wat dat van een docent vraagt. Het is sowieso tijdrovend om samen te werken en je onderwijs af te stemmen, of je nou op een traditionele of vernieuwende school werkt. Met de huidige lestaak is het in ieder geval onbegonnen werk om dit landelijk in te voeren. Wat de commissie voorstelt vraagt enorm veel van onze scholen en leraren. En ons onderwijssysteem is helemaal nog niet klaar voor zo’n inhoudelijke ingreep. Maar voor mij is het toch een kans – als we die gezamenlijk willen pakken tenminste.

Debat

Er zijn een aantal bezwaren tegen Onderwijs 2032 ingebracht. Die steekhouden, al naar gelang je beeld van hoe ons onderwijs eruit zou moeten zien. Veel bezwaren van leraren zijn ten eerste inhoudelijk. In veel polemische bijdragen horen we dat via een omweg de leerpleinen terugkomen, kennis er niet meer toe doet en dat traditionele vakken worden afgeschaft. Zo stellig is het rapport helemaal niet, maar door de keuzes en de voorbeelden die in het rapport worden geschetst lijkt het platform wel degelijk in die bepaalde richting te denken. Door niet meer evenwicht aan te brengen in het rapport, en bijvoorbeeld verschillende meer traditionele scenario’s te schetsen, heeft de commissie al zijn eigen weerstand ingebouwd in plaats van draagvlak te creëren.

Ten tweede richt de kritiek zich op het proces. De opeenvolgende stappen gaan veel te snel, zijn ondoorzichtig en er is helemaal geen draagvlak gecreëerd. In december 2016 moet er van de staatssecretaris al een eindrapport klaarliggen zonder dat er eerst een goede inhoudelijke discussie heeft plaatsgevonden. Dat beeld werd er helaas niet beter op nadat er al een voorzitter voor het vervolgproces werd aangesteld voordat de Tweede Kamer zich over Onderwijs 2032 had uitgesproken. Keer op keer lijkt het erop dat bepaalde conclusies al (in een vroeg stadium) zijn getrokken en dat het proces zo werd ingericht om het alleen nog maar af te stempelen. Ook dit ligt genuanceerder natuurlijk, maar gezien de weinig transparante keuzes heeft de staatssecretaris hier de schijn tegen.

Ten derde is de kritiek dat er geen goede probleemanalyse is gemaakt en dat het rapport slecht is onderbouwd. Natuurlijk is het wel degelijk onderbouwd als je naar de wetenschappelijke literatuur kijkt en er is wel goed gekeken naar de inbreng, zoals te zien is in de opbrengstenanalyse, maar er mist veel recent en cruciaal onderwijskundig onderzoek. Niet voor niets wordt er op dit moment wereldwijd een stevig (wetenschappelijk) debat gevoerd over de merites van traditioneel en progressief onderwijs. Daarvan is veel te weinig terug te vinden in het rapport.

Tegelijkertijd zwaaien nu alle partijen met al dan niet draagvlak onder de leraar. Feit is dat niemand dat op dit moment weet. Mijn indruk is dat het draagvlak groter is dan de tegenstanders nu doen voorkomen, en kleiner (of genuanceerder) dan de voorstanders zeggen. Dat we daar niets over weten is een fout van de commissie. Als Paul Schnabel in Buitenhof beweert dat er veel draagvlak is dan kan hij dat op geen enkele manier aannemelijk maken. De commissie had op zijn minst representatief onderzoek moeten doen naar de staat van de leraar op onderwijskundig gebied. Lerarenorganisaties zijn niet direct betrokken geweest bij het proces. Er kon alleen input worden geleverd.

Ten vierde vallen veel leraren over de randvoorwaarden om een nieuw curriculum mogelijk te maken. De werkdruk is nu al enorm hoog, en er wordt op geen enkele manier serieus aanstalten gemaakt om dat aan te pakken. Kijk maar naar het nieuwste 100-urenvoorstel van de VO-Raad. Dat hangt weer van vrijblijvendheid aan elkaar en het gevraagde geld verdwijnt gewoon weer in de lumpsum.

Het is niet heel moeilijk: de lestaak moet naar maximaal twintig uur en lerarenteams hebben meer zeggenschap nodig in hun scholen. Dat hier geen gevolg aan wordt gegeven is natuurlijk niet de fout van de commissie Schnabel, want die gaat wel degelijk in op de randvoorwaarden, maar van de politiek en de raden. Zij zijn hiervoor verantwoordelijk en geven keer op keer niet thuis. Vind je het gek dat leraren sceptisch reageren als de indruk ontstaat dat er weer veel moet?

Verder

Maar door het proces nu volledig stil te leggen of te verleggen naar december bestaat het gevaar dat weer “honderd leraren” a la de Rekentoets uit een of andere hoed worden getoverd en dat bestaande lerarenorganisaties worden geframed als ouderwets, geïnstitutionaliseerd en zonder hart enig voor onderwijs. Zie oa deze opmerking van Jan Fasen.

“Dat komt je er van wanneer je in een organisatie van, voor en door leraren, (vak)bonden een beslissende rol geeft. Die hebben niks met inhoud, des te meer met belangen, politiek, particulier, gevoed door geïnstitutionaliseerde achterdocht en wantrouwen. Bedienen zich van holle retoriek namens een nog nauwelijks bestaande achterban.”

Dit is niet terecht. De lerarenorganisaties zijn in ieder geval een stuk representatiever voor “het veld” dan de raden. Lerarenorganisaties worden bijna altijd te laat bij onderwijsbeleid betrokken, dat is zeker in dit proces gebeurd. Dan is het niet zo gek dat een aantal op de rem gaan staan. De twee leraren in de commissie Schnabel zijn zonder ruggespraak toegevoegd (Dit zegt niets over de kwaliteit van deze twee leraren). Een aantal leraren uitnodigen zonder ruggespraak met lerarenorganisaties is echt wat anders dan draagvlak creëren, laat staan dat het representatief is. 

Evenmin zijn de Twitterconsultatie en de inspiratiesessies waardoor de commissie zich met name heeft laten informeren representatief. Het heeft wel degelijk een fors publiek debat op gang gebracht – heel positief – maar dat is wat anders dan draagvlak. Het is helaas een herkenbare modus operandi, draagvlak pretenderen in plaats van echt draagvlak en capaciteit creëren. In de Verenigde Staten heet dit ook wel astroturfing. Kunstgras in plaats van echt gras, grassroots. In de VS is het helaas een doelbewuste tactiek om de invloed van leraren te ondergraven. Maar volgens mij is het in Nederland meer een kwestie van onbeholpenheid.

Aan de andere kant is de verdeeldheid, de traagheid en de representativiteit aan de kant van lerarenorganisaties wel een probleem. Onze lerarenorganisaties zijn soms hiërarchisch, onzichtbaar en ze hebben te weinig daadkracht. Veel leraren kennen hun organisaties maar oppervlakkig en voelen zich te weinig vertegenwoordigd. Ik erger me daar ook aan en het zet de deur wagenwijd open voor versnippering en nep-alternatieven. Tegelijkertijd zijn er wel degelijk heel veel goede initiatieven – zie bijvoorbeeld de reactie en de veldraadplegingen van mijn eigen VGN – en dat moet het uitgangspunt zijn. Ook voor alle lerarenorganistaties is dit een kans om veel meer leraren aan zich te binden.

Het Alternatief

Het Alternatief en Flip the System zijn veel meer dan alleen een aanklacht tegen de gevestigde orde. Het is op zijn minst een oproep aan leraren om hun verantwoordelijkheid te nemen. Nu de Tweede Kamer het initiatief en zwaartepunt bij leraren hebben gelegd moeten we die handschoen oppakken. Er is op dit moment een redelijk nauwe politieke window of opportunity en het is maar de vraag of dat na de verkiezingen van volgend jaar ook nog zo zal zijn. We weten allemaal hoe grillig de politiek is richting het onderwijs. Afwachten is niet de oplossing en daarom moeten we zelf met een voorstel komen om het curriculumproces mede vorm te geven. We kunnen harde voorwaarden eisen – tijd en ruimte – en op elk moment nagaan of daaraan wordt voldaan. Als leraren niet genoeg tijd en ruimte krijgen dan weten we gelijk of de politiek serieus is. Dan geven we twee weken niet les en nemen we de tijd.

Er ligt voor alle lerarenorganisaties een belangrijke kans om veel meer leraren aan te spreken en aan zich te binden. De bereidheid van leraren om zich actief in te zetten voor een van hun organisaties is helaas niet groot. Maar curriculumontwikkeling spreekt leraren aan, op de inhoud en als wij ergens blij van worden dan is het wel gezamenlijk over die inhoud de verdieping zoeken. Als lerarenorganisaties het ontwerpproces mede kunnen faciliteren en hun eigen signatuur daarin duidelijk kunnen maken komen meer leraren de “ruimte” van die organisaties binnen. 

De financiële ondersteuning vanuit de overheid om Onderwijs2032 daadwerkelijk in te vullen kan gedeeltelijk door lerarenorganisaties worden gebruikt. Daar zijn in het buitenland ook voorbeelden van te vinden en het is hoogstwaarschijnlijk een randvoorwaarde om echt draagvlak te creëren onder leraren. Tegelijkertijd is het een positief, opbouwend beeld in plaats van altijd maar insteken op wat er niet goed gaat. De representativiteit en het draagvlak van vakbonden en vakverenigingen staan onder druk en dat heeft onder andere te maken met hun defensieve houding, trage besluitvorming en ontoegankelijke besluitvormingsprocessen.

Dat kan worden doorbroken. We moeten weer werken aan vertrouwen in de leraar. En ook aan vertrouwen in onszelf. Zoals we in Het Alternatief 2 schreven:

“Willen Artikel 23 en de vrijheid van onderwijs kans van slagen hebben, dan dienen scholen en leraren beter hun rol op zich te nemen, niet alleen door een pedagogisch-didactische visie te ontwikkelen, maar ook door hun professionaliteit te ontwikkelen. Deze nieuwe professionaliteit van leraren draait daarmee zowel om het individu als om het collectief. Het draait om een individuele leraar die openstaat voor verbetering, kortetermijndoelen kan realiseren, op de hoogte is van de nieuwste ontwikkelingen, collegiaal kan samenwerken en in staat is om het eigen handelen te plaatsen in relatie tot een overkoepelende bedoeling van het onderwijs. Maar het draait ook om de manier waarop de professie zich als collectief presenteert aan de buitenwereld, nu de eisen van de samenleving steeds dwingender vormen aannemen. Zo’n nieuw collectief van professionals presenteert zich als activistisch, progressief, zelfregulerend en politiek actief”

Om dat te bereiken moet er bij lerarenorganisaties sprake zijn van een nieuw elan, een nieuw democatisch professionalisme.

Dat vraagt wel om daadkracht van de samenwerkende lerarenorganisaties in de Onderwijscoöperatie (OC). De geloofwaardigheid van dit samenwerkingsverband staat op het spel als we de handschoen van de politiek niet oppakken. De deur staat wagenwijd open voor onder andere de raden om te zeggen: “Zie je wel, de leraren kunnen het niet zelf en ze zijn te verdeeld.” De OC is een van de redenen waarom er beweging is gekomen de laatste jaren. De politiek (en ook andere stakeholders) zoeken steeds naar een aanspreekpunt. En er is maar een mogelijkheid in de Nederlandse context: een federatie van lerarenorganisaties en tot nu toe ongeorganiseerde leraren. Het is zoals gezegd maar al te makkelijk om leraren te vinden die namens de leraar spreken. Zie het debacle van de Rekentoets waarbij te pas en te onpas “100 leraren” als argument werden opgevoerd.

En dat terwijl het moeizame proces van de vorming van de Onderwijscoöperatie de afgelopen 10 jaar iets unieks heeft opgeleverd. In het buitenland kijken ze met verbazing naar wat er allemaal al bij de Onderwijscoöperatie is neergelegd, en wat er bij Onderwijs2032 in het vat zou kunnen zitten. Dat laatste zou internationaal echt uniek zijn. Het sluit aan bij een bredere internationale beweging waarin een grotere rol van lerarenorganisaties steeds meer als sleutel tot goed onderwijs wordt gezien. Veel meer dan alleen arbeidsvoorwaarden gaat het over alles wat ons tot leraar maakt. Als de Onderwijscoöperatie niet bestond dan zouden we haar nu moeten uitvinden.

De sleutel in dit hele proces zijn we als leraren natuurlijk zelf. Er wordt maar al te makkelijk gezegd dat leraren niet op de hoogte zijn van Onderwijs2032. Maar dat is echt te makkelijk. In het voortgezet onderwijs hebben de meeste vakverenigingen zich hierover uitgesproken en er is ook in hun vakbladen over gepubliceerd – de Vereniging van docenten geschiedenis en staatsinrichting in Nederland (VGN) heeft in ieder geval heel goed werk verricht. Daarnaast is het in elk landelijk dagblad wel voorbij gekomen. Als leraren verwachten dat de samenleving ons gaat vertrouwen mag je toch op zijn minst verwachten dat we onze vakbladen bijhouden.

Zodra je begint over collectief organiseren, laat staan staken, begint iedereen al te steigeren. Maar you can’t have it both ways. Leraren klagen dat we niet gehoord zijn in de totstandkoming van de Rekentoets, maar tegelijkertijd willen we ons niet organiseren om met een gezamenlijke stem te spreken omtrent curriculumontwerp. Dat zijn ook leraren en dat is een vorm van vrijwillige slavernij.

We zullen het als leraren nooit eens worden op onderwijskundig gebied; die pluriformiteit is een wezenlijk onderdeel van het onderwijs. Maar waar we duidelijk wel overeenstemming in kunnen bereiken is over onze professionele rol: onze collectieve autonomie in scholen en in het onderwijssysteem. Laten we dat als uitgangspunt blijven nemen.  Om die rol te concretiseren stel ik voor dat we uitgaan van een aantal uitgangspunten ten opzichte van het proces en van de inhoud:

Proces

Curricula worden tot nu toe compleet los van elkaar ontwikkeld en er is ook niet structureel een grote groep leraren bij betrokken. Dat betekent dat het curriculum als geheel versnipperd is. Mede geïnspireerd door een bezoek aan Singapore kunnen we dat veel beter inrichten. Ik heb in het schema hieronder geprobeerd om de situatie in Singapore te vertalen naar het Nederlandse onderwijs.

Het is noodzakelijk dat dit mede door lerarenorganisaties wordt opgepakt omdat dit de enige manier kan zijn waarop er afstemming plaatsvindt tussen het nationale curriculum en het curriculum in de klas. Tegelijkertijd is het curriculum natuurlijk van meer dan alleen leraren. Het kan wordt ondergebracht in een nieuwe organisatie die kan uitgroeien tot Rijksacademie (maar dat is een ander verhaal). Dat leraren vanuit alle verschillende organisaties en stromingen daarin een grote stem hebben is voldoende waarborging.

Onderwijs2032 proces schemaHet ontwerpproces wordt inhoudelijk opgepakt en verdiept door netwerken van leraren waarbij de vakverenigingen, in ieder geval voor het VO, het zwaartepunt zullen worden. Maar het algemeen belang moet wel gewaarborgd worden. Daarom moet er een Lerarenraad worden opgericht die een coördinerende rol krijgt. De bezetting hiervan is pluriform en wordt ingevuld vanuit de lidorganisaties, via open sollicitaties en scouting van talent.

Met name in dat laatste is het onderwijs als geheel slecht. Maar willen we slagen dan moeten we daarvoor bewezen individueel netwerk- en innovatietalent inzetten. Bovenal moeten deze principes vanaf het begin helder zijn. Tot nu toe blinkt het proces rond Onderwijs2032 uit in een rookgordijn rondom de bezetting.

Het ontwikkelen moet een open proces zijn, met constante iteraties vanuit het veld. Een online communicatie- en deelplatform is hierbij onontbeerlijk. En dat moet een stuk verder gaan dan een digitale vergaarbak die met name bestaat uit eenrichtingsverkeer. Het curriculumontwerpproces zou vergelijkbaar moeten zijn met ontwikkelen van open source software. Waarbij een platform als Github als voorbeeld kan dienen. De oplevering van een nieuw curriculum kan steeds als nieuwe mijlpaal dienen. Die mijlpalen kunnen plaatsvinden in een vijfjarige cyclus.

Van docenten mag worden verwacht dat ze deze ontwikkelingen blijven volgen en bij voorkeur er ook aan bijdragen. Zo kan niemand meer zeggen dat ze verrast worden door de zoveelste vernieuwing. Waarbij het ook zo zal zijn dat die vernieuwing niet heel rigoureus zal zijn, zoals nu soms het geval is. Dezelfde methodiek met bijbehorend platform op nationaal niveau kan dan ook door de ontwikkelgemeenschappen op schoolniveau worden gebruikt, waarbij verschillende forks ontstaan die onder een Creative Commons licentie worden gedeeld. (Wikiwijs zou overigens dat platform kunnen zijn.) Voor het netwerkgedeelte kunnen we de bestaande LOF-community uitbouwen en een veel grotere online gemeenschap van leraren creëren.

Inhoud

Onderwijs2032 gaat voor veel leraren erg ver. Maar dat laat onverlet dat dit curriculumproces niet voor niets is gestart. Ik kan iedereen aanraden om het oorspronkelijke rapport van de Onderwijsraad er weer even op na te slaan. Laten we het rapport Schnabel als beginpunt en discussiestuk nemen en er zelf invulling aan geven.

Ten eerste er is wel degelijk een (kleine) update nodig bij veel vakken en ten tweede moeten de curricula veel meer op elkaar worden afgestemd en ook in de school landen. Leraren leunen nu echt nog te veel op methodes. Op deze manier laat je de keuze bij lerarenteams om al dan niet traditioneel of vakoverstijgend te werken. 

Je voldoet tegelijkertijd aan de roep die uitmondde in Onderwijs2032 om het curriculum meer eigentijds vorm te geven. Een goed gebalanceerd curriculum is gewoon good practice internationaal gezien en het biedt de houvast en ondersteuning die nodig is om van de methodeslaafsheid af te komen. Om richting te geven aan de verschillende (traditionele en progressieve) mogelijkheden en vakinhoudelijke doelen die er zijn moeten er daarom ook veel meer recent onderwijskundig onderzoek en onderzoekers worden betrokken bij het ontwerpproces. Ook dat geeft leraren meer houvast bij het ontwerpen van hun schoolcurriculum.

Neem digitale geletterdheid als voorbeeld. Daarin kunnen we heel goed tot overeenstemming  komen. De digitale component is momenteel compleet uit de tijd en nergens goed vastgelegd. Even los van de retoriek rond iPads moeten leerlingen een aantal informatievaardigheden ontwikkelen rond onder andere Big Data, algoritmes en netwerken. Die zijn van grote invloed op ons als burgers en dat zal alleen maar toenemen. Dat moeten we zien als een basisopdracht van het onderwijs. Die kennis en vaardigheden moeten natuurlijk in context ontwikkeld worden. Bij de maatschappijvakken (geschiedenis, economie, aardrijkskunde, maatschappijwetenschappen) kunnen binnen de contexten van die vakken begrippen, contexten en datasets worden gebruikt en de wiskundige kennis en vaardigheden worden toegepast.

Dat vraagt om afstemming van kennis en vaardigheden binnen al die vakken. Alleen al een aantal vergelijkbare vaardigheden hetzelfde benoemen en gemeenschappelijk ontwikkelen is enorme winst. Een algemene digitale leerlijn wordt zo via de vakken concreet gemaakt. Hoe je dat didactisch terugziet in scholen is aan de leraren zelf. Dat kan een vakoverstijgend vak als Maatschappij zijn, of de leerlijn komt via vakken afzonderlijk terug, of via een mengvorm. Maar door het gezamenlijk te ontwikkelen ontstaat er wel een duidelijke lijn in het curriculum.

Er worden zo veel voorbeelden ontwikkeld waarvan alle leraren kunnen profiteren. Vakvereniging Informatica en IT (I&I) zou bij de digitale geletterdheid kunnen coördineren omdat het gedeeltelijk hun terrein betreft en omdat ze net een nieuw curriculum hebben opgeleverd via de netwerkprincipes die hierboven al beschreven zijn. Op hun ervaring kunnen wij allemaal voortbouwen.

Dijsselbloem proof

Onderwijsbeleid moet meer evidence based worden ontwikkeld volgens het rapport Dijsselbloem. Ik zou zeggen evidence informed. Het moet in ieder geval een grotere rol spelen in het proces dan nu. Wat ik in ieder geval wil weten is wat leraren er nu echt van vinden en wat we willen. Daar moet een groot onderzoek naar worden gedaan. Het curriculumontwerp- nationaal en in de school – is een proces waarbij ontwerp, samenwerken en professionalisering van leraren samenvallen. Het is interessant om te zien dat veel internationale rapporten, onderzoeken en boeken van de afgelopen tijd dit ondersteunen.

We lijken langzamerhand naar een consensus over onderwijsverbetering af te stevenen. Er is een verband tussen het handelingsvermogen van leraren – agency – en een samenhang tussen ontwerp, professionalisering en collectieve autonomie binnen en buiten de school (Biesta 2015). Er worden ook steeds meer correlaties gevonden dat dit tot betere leerlingenresultaten leidt – zelfs Hattie schijnt dit inmiddels als grootste effect size aan te geven (bron Twitter, maar nog niet bevestigd). Alhoewel je met deze onderzoeken natuurlijk de nodige voorzichtigheid moet betrachten.

In Beyond Professional Development, een studie naar vier verschillende onderwijssystemen destilleert Ben Jensen de volgende principes:

  1. School improvement is organized around effective professional learning (that reflects the principles of adult learning).
  2. Distinct roles are created to lead professional learning in schools and throughout the system.
  3. Schools and systems recognize the development of teacher expertise (with expertise regularly developed through school- based research of how to improve student learning and then shared and recognized across multiple schools and districts).
  4. Teachers and school leaders share responsibility not only for their own professional learning but the learning of other teachers.
  5. Collaborative professional learning is built into the daily lives of teachers and school leaders. (Jensen 2015)

Ook in twee recente rapporten van de OESO komen deze aspect naar voren. De internationale denktank onderscheidt de volgende domeinen die van belang zijn:

1) a knowledge base, which includes necessary knowledge for teaching; 2) autonomy, which is defined as teachers’ decision making over aspects related to their work; and 3) peer networks, which provide opportunities for information exchange and support needed to maintain high standards of teaching. (OECD 2016) 

En in het begeleidende rapport van de ISTP in Berlijn benadrukte Andreas Schleicher dat:

“Involving teachers and school leaders in the development of education reforms is likely to facilitate the implementation of those reforms. (…) The need to more actively engage the teaching profession extends beyond reasons of politics and pragmatism. One of the main challenges for policy makers facing the demands of a knowledge-based society is how to sustain teacher quality and ensure that all teachers continue to engage in effective modes of ongoing professional learning.” (Schleicher 2016) 

In deze rapporten kwam ook naar voren dat deze netwerken nog meer impact hebben op leraren en scholen in achterstandsgebieden. Indien het goed wordt ingericht versterkt het die scholen nog veel meer. Wat we missen in Nederland is een gedeelde verantwoordelijk voor alle kinderen, en dat is voor ons als beroepsgroep schandalig. In het licht van de Staat van het Onderwijs misschien wel de grootste aanleiding om dit proces zo in te richten.

We kunnen ons ook laten informeren door het curriculumproces in andere landen. Een grote betrokkenheid van leraren is helemaal niet gek internationaal gezien. In landen en regio’s als Alberta, Ontario, Schotland, Singapore zijn grote groepen leraren juist betrokken bij het curriculumontwerp. Laten we die ervaring en kennis ook naar Nederland halen.

Een onderdeel van het voorstel zou een goede permanente monitoring moeten zijn. De vraag is of dit proces het handelingsvermogen van leraren vergroot en of dit tot betere – breed gedefinieerde – leerlingresultaten zal leiden. Laat ook dit onderdeel zijn bij wat de lidorganisaties al doen en aansluiten bij het onderzoek dat bijvoorbeeld naar het Lerarenontwikkelfonds wordt opgezet.

Conclusie

Als wij als leraren nu niet leveren dan laten we een grote kans liggen, dan ontstaat er een vacuüm en dan wordt het weer voor ons gedaan. We willen graag dat leraren het voortouw nemen, maar we krijgen het eigenlijk niet voor elkaar. Laten we het niet zover laten komen. We gaan tot december in gesprek hoe we denken dat het curriculum eruit zou kunnen zien. En ook hoe we denken dit proces structureel te gaan inrichten daar waar het de leraren betreft. En laten we deze maanden inzetten als een pilot hoe die permanente betrokkenheid van leraren eruit zou kunnen zien.

Daarnaast moet er van de individuele lerarenorganisaties een krachtig geluid komen dat individuele leraren genoeg tijd krijgen om op alle niveaus aan onderwijsverbetering te werken. Zet in op een lestaak van twintig uur en laat dat ook een voorwaarde zijn om het proces voort te zetten in december. Laten we deze unieke kans en ruimte benutten om onze beroepsgroep sterker te maken en het onderwijsbestel zo inrichten dat alle leraren verantwoordelijkheid voor alle leerlingen kunnen nemen.

Bronnen

Jensen, B., Sonnemann, J., Roberts-Hull, K., & Hunter, A. (2016). Beyond PD: Teacher Professional Learning in High-Performing Systems (pp. 1–66). Washington, DC.

OECD. (2016). Supporting Teacher Professionalism. TALIS. Paris: OECD Publishing.

Priestley, M., Biesta, G., & Robinson, S. (2015). Teacher agency: An ecological approach. London: Bloomsbury Academic.

Sachs, J. (2015). Teacher professionalism: why are we still talking about it? Teachers and Teaching, 22(4), 413–425.

Schleicher, A. (2016). International Summit on the Teaching Profession: Teaching Excellence through Professional Learning and Policy Reform Lessons from around the world. Paris: OECD.

4 Reacties to “Het curriculum als brug naar beter onderwijs”

  1. Complimenten voor je uitgebreide analyse Jelmer! Ik kan me vinden in je analyse en voorstel.

    Ik heb me de afgelopen tijd ook afgevraagd waardoor het nu komt dat er kansen blijven liggen op dit vlak. Naar mijn idee komt het voor een belangrijk deel doordat we met elkaar werken in een min of meer failliet onderwijssysteem. En we zijn zo druk met het repareren van de lekken van dit systeem, dat er te weinig tijd en ruimte over is voor het bouwen aan een nieuw curriculum.

    En die tijd en ruimte is toch echt nodig om op een structurele manier aan onderwijsverbetering te werken.

    Ik vraag me ook af of een nieuw curriculum een oplossing biedt als we blijven werken met het huidige leerstofjaarklassensysteem. En misschien is dat ook wel de onderhuidse en onbewuste vraag die bij veel leraren speelt? Ik ben benieuwd hoe jij hier tegen aan kijkt.

    Like

  2. Mooie bijdrage, Jelmer, die ik lees en die ik herlezen zal omdat hij genoeg stof tot nadenken geeft. Ik wil echter een belangrijke kanttekening plaatsen in de vorm van een reflectievraag: waaróm moeten ‘wij’ eigenlijk een nieuw, universeel curriculair kader voor ‘ons’ onderwijs uitdokteren? Wat noopt ons nu precies tot deze wens?

    Gezien de ervaringen in het verleden met massaal uitgevente onderwijsinnovaties; met elkaar opvolgende, zwaar uiteenlopende versies van ‘kerndoelen’; met een onwerkbare en in wezen nutteloze concretisering van de ‘basisvorming’; met een tot in details uitgestippelde ‘Tweede Fase’ annex ‘studiehuis’ die bij de eerste hap al slecht smaakten… Allemaal ‘uitgedokterde’ innovaties voor ‘ons’ onderwijs, die na invoering direct ontmanteld en geneutraliseerd werden, niet zelden om legitieme redenen.

    Zoals we zeggen: geschiedenisonderwijs helpt ons te leren van de geschiedenis; onder de aanname dat wat we leren, ons kan behoeden voor het maken van fouten in het heden. Nu blijkt het verleden t.a.v. onderwijsbeleid ons te leren dat nationale blauwdrukken voor curricula, didactische paradigma’s of vrome leerdoelenlijsten niet levensvatbaar bleken. Hoe kansrijk is het dan om weer een massale curriculaire vernieuwing over ons af te roepen? Waarom moet dat, voor alles & iedereen?

    Maakt het echt verschil of deze vernieuwing, zoals gehoopt, een tikje ‘grassrootser’ is, d.w.z. mede door leraren of de OC wordt bepaald; of dat hij zoals destijds bij de ‘basisvorming’ en de ‘tweede fase’ via tal van inspraakorganen met leraren verloopt? Ja, ook bij die vernieuwingen (ik was er bij) werd ‘het veld’ herhaaldelijk geraadpleegd – misschien wel vaker en serieuzer dan bij ‘Onderwijs 2032’. ‘Het veld’ bestond toen niet alleen uit leraren, maar ook uit vakwetenschappers en didactici. Helaas, het bleek geen garantie op succes.

    Die fraaie voorstellen stuitten steeds op onwerkbaarheid in de praktijk, ineffectiviteit qua resultaten, of niet-acceptatie door scholen & vaksecties. Het is nu eenmaal moeilijk om een universeel raamwerk voor onderwijs op te stellen waar we allemaal in passen, met onze uiteenlopende inzichten en praktijken. Vandaar mijn vraag: moet dat wel? En welk evident probleem lossen we daar dan mee op?

    Voordat ik als leraar de handschoen opneem om op nationaal niveau een ‘gedroomd curriculum’ op te stellen, zou ik graag zien dat we ons met elkaar over die reflectievraag buigen.

    Liked by 1 persoon

    • Dank Michel,

      Terechte vragen die hopelijk, en als het aan mij ligt, in de vervolgfase ook uitgewerkt gaan worden. Ik sta ook persoonlijk geen grote veranderingen voor. Maar inhoudelijk is er nu helemaal geen samenhang, terwijl er vaktechnisch wel veel overlap is. Als er al grote veranderingen plaatsvinden dat vindt dat plaats op schoolniveau met inspraak van leraren.

      Het gaat me meer om capaciteitsontwikkeling bij leraren om dat te doen, de kennis te ontwikkelen en te delen en de netwerken die daarbij ontstaan geven ook een gedeelde verantwoordelijkheid. En die zouden we als leraren echt meer moeten nemen. Dat strekt wat mij betreft ook uit naar de examens, die ook steeds meer ter discussie staan. Als we hier zelf niet invulling aan gaan geven dan worden we weer van alles ingerommeld als het politiek even tegenzit (zie oa de rekentoets). Uiteindelijk vind ik eigenlijk het proces belangrijker dan de uitkomst.

      Like

Trackbacks/Pingbacks

  1. Onderwijs2032. Antwoord aan Frans van Haandel | Blogcollectief Onderzoek Onderwijs - 23 augustus 2016

    […] en Het curriculum als brug naar beter onderwijs (https://onderzoekonderwijs.net/2016/04/18/het-curriculum-als-brug-naar-beter-onderwijs/). Hoewel op Twitter de emoties over Nderwijs2032 soms hoog opliepen, blijken de standpunten veel […]

    Like

Geef een reactie of deel je eigen ervaringen. Graag met je eigen naam ondertekenen, geen pseudoniemen. Anonieme reacties worden verwijderd.

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: