De Ontwikkeling van Jongens in het Onderwijs – recensie

Bij de presentatie van het overzichtswerk Dat is Pedagogiek in juni jongstleden sprak onder andere leraar-filosoof Simon Verwer. Hij vertelde over zijn – herkenbare – worsteling om onderpresterende jongens aan de gang te krijgen en te houden. Dominant in het spreken en denken over onderwijs en leren is de technische taal van de psychologie: motivatie, executieve functies, enzovoorts. Maar kunnen en moeten we het ‘jongensprobleem’ niet ook pedagogisch te lijf? vroeg Verwer zich hardop af. Op die vraag antwoordde Dick van der Wateren ter plekke dat er een boek in voorbereiding was dat precies dat zou thematiseren.

Samen met Lauk Woltring, een oudgediende op het terrein van de jongens, stelde hij een bundel samen over De Ontwikkeling van Jongens in het Onderwijs. Context en praktijk van primair tot en met hoger onderwijs. Op verzoek las ik die bundel, met in het achterhoofd de vraag: biedt zij inderdaad een pedagogisch antwoord op de vraag, wat te doen met ‘onze jongens’? 

Dát er een probleem is met de jongens lijkt onomstreden. Van de voorschoolse opvang tot aan de universiteit vertonen jongens meer probleemgedrag dan meisjes – dat wil zeggen: wordt hun gedrag als meer problematisch waargenomen. Jongens zijn oververtegenwoordigd in het speciaal onderwijs en in de ‘slechte statistieken’ (verslaving, criminaliteit, geweld, enz.). Zij komen vaker terecht op ‘lagere’ typen van onderwijs dan ze meetbaar aan zouden kunnen, stromen vaker af of uit, doen langer over hun studie en bereiken sinds kort – op geaggregeerd niveau – geen hoger onderwijsniveau meer dan hun vaders. 

Over de precieze aard en omvang, de oorzaken van en de mogelijke oplossingen voor dit ‘jongensprobleem’ scheiden zich de geesten – en dat zelfs vrij fundamenteel (Visser & Krommenhoek, 2014). In hun inleiding gaan de samenstellers van de bundel daar niet heel diep op in. Wel dekken zij, en dekken veel individuele auteurs zich in tegen het mogelijke verwijt, teveel in algemeenheden te spreken: er bestáát geen algemene jongen, maar wie iets zinnigs wil zeggen over jongens moet af en toe toch generaliseren. Dat is mogelijk juist, maar de samenstellers hadden zichzelf en de lezer een dienst bewezen als ze een aantal fundamentele vragen, kwesties en begrippen rond ‘het’ jongensprobleem vooraan in het boek helder en systematisch uiteen hadden gezet. Ik kom daar verderop in deze bespreking nog op terug.

Na de inleiding volgt een eerste deel, waarin Woltring eerst in het kort de problemen van jongens uit de doeken doet. Dat doet hij naar mijn smaak weinig systematisch, en met een (te) sterke voorkeur voor het biologische. Het model dat hij intoduceert vermoedt meer diepte en scherpte, maar wordt helaas niet uitgewerkt. Doordat de andere auteurs het niet herkenbaar gebruiken, blijft het model zodoende een beetje in het luchtledige hangen. Eveneens ter introductie is een mooi en vurig betoog van Dick van der Wateren over wat goed onderwijs á la Biesta is of zou kunnen zijn. Onduidelijk is, wat zo’n pleidooi voor algemene pedagogiek op deze plek precies met het probeem van de jongens te maken heeft, anders dan dat goed onderwijs ook aan hen goed besteed is. 

Divers

In het tweede deel van de bundel gaan diverse auteurs(groepen) nader in op problemen die jongens in verschillende typen van onderwijs ervaren, van de kinderopvang en de VVE tot en met de universiteit, en op manieren om daar als leerkracht, docent of instructeur op in te springen. Deze tien (!) hoofdstukken zijn zeer divers van aard, opzet en kwaliteit. Wie iets zoekt voor de sector waar zij of hij in werkt, kan in het desbetreffende hoofdstuk evengoed een keur aan tips & trucs vinden over het werken met jongens. Onder meer doordat veel auteurs ‘hét’ probleem ook in z’n algemenheid willen behandelen en zich niet beperken tot de sector die hen is toegewezen, ontstaat er in dit deel zeer veel overlap en herhaling. De aanbeveling, om maar iets te noemen, dat trial & error bij uitstek een ‘jongensachtige’ manier van leren zou zijn, wordt in de hele bundel zo wel een keer of acht gedaan. Scherpe redactionele keuzes hadden kunnen helpen om de omvang en overladenheid van dit deel fors terug te brengen. 

Vervelend is ook dat in sommige hoofdstukken moeilijk te onderscheiden is wat precies de feiten zijn, en wat de voorkeuren van de auteurs. Tenminste driemaal wordt er, quasi als bewijs van een essentiële gender-gap, op gewezen dat jongens stabiel hoger scoren op de rekenonderdelen van de cito-eindtoets, de meisjes idem op de talige onderdelen. Bij het tabelletje dat dat inzichtelijk maakt staat een wonderlijk bijschrift dat de verklarende waarde van die cito-scores wil ontkrachten (p. 80). Dat voegt niet zo veel toe, en laat bovendien onbenoemd dat jongens óók al decennialang hoger scoren op het onderdeel wereldoriëntatie. Dat is een complicerend feit dat niet zo gemakkelijk in het jongens-meisjes-frame past, en wel doordat wereldoriëntatie / de mens- en maatschappijvakken als bijzonder ‘talige’ vakken gelden. Is het echt toeval dat alle auteurs dat feit over het hoofd zien?

Hoofstuk 5 van Dolf Houtvast over jongens in het voortgezet onderwijs (algemeen) is de facto een pleidooi voor latere selectie. Ik ben daar ook een voorstander van, maar ik geloof niet dat dat de énige oplossing kan zijn voor alle geconstateerde problemen. Bovendien is het domweg niet waar dat Nederland op jongere leeftijd selecteert dan haar buurlanden, zoals het ook onwaar is dat het aantal ‘stapelaars’ toeneemt (het neemt juist af), en nee, cito is niet alléén een commerciële instelling.

Dick van der Wateren zoomt in het daarop volgende hoofdstuk over Jongens in havo en vwo in op de problematiek van de hoogbegaafde onderpresteerders. Dat is belangrijk, maar dat betreft wel een kleine groep van een kleine groep, en biedt zodoende niet wat het hoofdstuk belooft te doen. De oplossingen die voor deze bepekte groep in zwang zijn (‘moeilijk moet‘) kunnen werken bij jongens, zeker, maar gelden als aanbevelingen voor de omgang met meer- en hoogbegaafde kinderen in het algemeen – dus ongeacht hun gender of geslacht. Op dezelfde manier mogen High Tech High en Agora mooie voorbeelden zijn van vernieuwingsonderwijs (Hoofdstuk 9), maar in hoeverre zij bij kunnen dragen aan de oplossing van specifieke jongensproblemen wordt niet inzichtelijk.  

De sterkste twee hoofdstukken van dit middendeel zijn zonder twijfel de bijdragen van Louis Tavecchio en Gerda Geerdink, beide wetenschappelijk onderzoeker. Interessant is ook dat ze elkaar radicaal tegenspreken: waar de een onderzoek aanhaalt dat aannemelijk maakt dat jongens door onderwijsprofessionals structureel anders behandeld worden, citeert de ander literatuur die dat net zo gemakkelijk weerspreekt. Drie hoeraatjes voor de empirische onderwijswetenschap 😊. Geerdink is daarbij de eerste die in hoofdstuk 11 (!) aandacht schenkt aan gender – de sociale constructie van geslacht – als belangrijke grootheid in de discussie. Ondertussen is het omstreden werk van Angela Crott al langs gekomen, én als bron waaruit kennis geput is, én in de context van het oneindige debat tussen nature en nurture

Theoretisch kader

De bundel mist, als gezegd, een krachtig theoretisch kader waarmee zulke verschillende interpretaties en visies geduid kunnen worden. Door de gekozen opzet is niet alleen veel overlap ontstaan, maar verschijnt dat jongensprobleem vrijwel uitsluitend als een probleem in de school dat door de school kan worden ‘gefixt’. Dat overschat mogelijk de werkzaamheid van die school, sluit sociaal-culturele factoren te veel buiten en onderkent te weinig dat ‘jongensheid’ / mannelijkheid ook in en door de school zelf geconstrueerd c.q. gereproduceerd worden (vgl. Pinkett & Roberts, 2019). Belangrijke aspecten van het jongensbestaan, zoals vriendschap, (homo)seksualiteit, geweld en de verbeelding van (al dan niet ‘giftige’) mannelijkheid worden wel aangestipt, maar niet systematisch besproken. Allochtone jongens worden genoemd onder het hoofdstukje vmbo (!?), maar combinaties van gender en etniciteit c.q. van mannelijkheid en (sub)cultuur hadden zeker aparte hoofdstukken gerechtvaardigd.

In het derde, uitluidende deel van de bundel doet Woltring zijn neurobiologische inleiding op de jongensproblematiek nog eens uitgebreid over. Op deze plek in het boek voegt dat niets meer toe. Wel doet dat een volgende hoofdstuk (13), waarin Woltring krachtig sociaal-culturele aspecten van mannelijkheid in onze samenleving en de veranderingen daarin neerzet. Ik vraag me oprecht af waarom deze twee hoofdstukken niet als inleiding zijn genomen. Met enige aanpassingen, zoals het beter uitwerken van het model, had dat het missende kader kunnen bieden, en was er ook een kapstok geweest om qua jongensproblematiek verder en dieper te graven. Voor een eventuele tweede druk zou deze ruil zeer aan te bevelen zijn. Op die manier zou ook het inleidende pleidooi van Van der Wateren, over de waarde van schoolpedagogiek in het algemeen, een betere plek kunnen krijgen aan het einde van het boek. 

Pedagogisch antwoord

Dat namelijk, lijkt de bundel in z’n algemeenheid vooral te onderstrepen: wat goed is voor jongens, is goed voor alle leerlingen – en vice versa. En dat is, eveneens heel algemeen: een uitgebreide didactische trucendoos gepaard aan veel pedagogische tact. In die zin biedt het boek inderdaad, zoals beloofd, een pedagogisch antwoord op de vraag naar het jongensprobleem. Maar: als pedagogiek hier het antwoord is, dan zijn de problemen van ‘de jongens’ mogelijk toch veel meer de problemen van potentieel alle kinderen c.q. van de maatschappij, die ‘jongensheid’ zus ofte zo wensen te labellen. Zo’n algemene-mensenpedagogiek is denkelijk niet gediend met brein-bla-bla en goedbedoelde stereotypen, maar vooral met meer gevoeligheid voor vragen rond gender en positief gedefinieerde mannelijkheden. De bulk van het boek – het middendeel – schiet echter teveel door naar de ene, en toont zich te weinig sensitief voor die andere kant. Dat is jammer, maar biedt ook kansen voor een mooi vervolg-deel om dit belangrijke thema nader uit te diepen.

Referenties

Masschelein, J. (Red.). (2019). Dat is pedagogiek. Actuele kwesties en sleutelteksten uit de westerse pedagogische traditie van de 20ste eeuw. Leuven: Leuven University Press.

Pinkett, M., M. Roberts (2019). Boys don’t try. Rethinking Masculinity in Schools. Abingdon: Routledge.

Visser, A., Krommenhoek, D. (2014). Boys and Bilingualism. Mapping the Gender Gap at Wolfert TTO. IB Journal of Teaching Practice 2 (2). pdf downloaden.

alderikvisse's avatar

Over alderikvisse

Historicus en onderwijsmens. Docent geschiedenis, filosofie en IB Theory of Knowledge op Wolfert TTO, Rotterdam. Schrijft over onderwijs in het algemeen, beleid en filosofie in het bijzonder

Eén reactie naar “De Ontwikkeling van Jongens in het Onderwijs – recensie”

  1. Onbekend's avatar

    Reactie op Alderik Visser
    Goed dat het boek wordt gerecenseerd, hopelijk leidt dit tot meer belangstelling en verdere discussie. De focus op de tekortkomingen (althans volgens Visser) is licht teleurstellend. Ik zou zeggen wees blij dat er nu een boek verschijnt over de gehele ontwikkelingslijn van jongens in (maar ook buiten) het onderwijs, zonder alleen maar in relativeringen te vervallen. Natuurlijk valt er nog veel over dit boek te schrijven, veel elementen zijn nog lang niet voldoende uitgewerkt en het kan altijd beter. Zo vraagt de hele genderdiscussie om nader onderzoek en uitwerking, zeker inzake LHBTI en naar waar etniciteit en gender samenkomen. Ik stuitte er op dat er nog niet veel onderzoek naar gender in het Nederlandse onderwijs is gedaan. Een schone opgave voor het SLO, dat ooit een zeer constructieve Handreiking Jongens/meisjes uitbracht (2011 en herzien in 2015). Er is nooit onderzoek gedaan naar het beperkte effect van dit nuttige instrument, en naar de hindernissen bij het gebruiken ervan. Kan daar geen geld voor worden vrijgemaakt? Inspiratie zou men kunnen putten uit de mooie bundel Gender op school (2015, D.van Maele e.a.) over het Vlaamse onderwijs.
    Het is zeker niet zo dat gender, de sociale constructie van geslacht, als belangrijke grootheid in de discussie pas in hoofdstuk 9 (Geerdink) aan bod komen. Integendeel: genderdiscussies worden in de Inleiding aangestipt, in hoofdstuk 1 behandeld en in hoofdstukken 13 en met name 14 verder uitgewerkt. En zonder die term gender expliciet te gebruiken komt ook in de praktijkhoofdstukken de diversiteit onder jongens aan bod. Tegelijk past hier de waarschuwing leerlingen niet te veel in te delen in diverse gender categorieën, dit kan leiden tot grotere verdeeldheid en isolerend identitair denken.

    Nature-Nurture
    In dit boek heb ik er voor gekozen eerst een paar relevante biologische verschillen te behandelen. Inzicht hierin is nodig én maakt juist ruimte vrij om de sociale constructies van het geslacht adequaat te benaderen, maar dan bevrijdend zonder te isoleren. Het heeft er veel van weg dat veel sociaal-constructivistische gender-theoretici kennis over biologische aspecten angstvallig wegduwen. Lees bijv.: Dames voor Darwin. Over feminisme en evolutietheorie (2019, Griet Vandermassen). Onze bundel is een serieuze poging om aanleg én omgeving in hun voortdurende wisselwerking aan bod te laten komen. Juist daarin ontstaan genderposities en genderbewustzijn. Aanleg is niet zozeer verklaring van het gedrag maar betreft het ‘ruwe materiaal’ waarmee jongens (en meisjes) ter wereld komen dat zij zelf bewerken, met hulp en interventies van hun opvoeders en onderwijsgevenden. Dit ‘ruwe materiaal’ moet goed begrepen worden omdat de meeste jongens en meisjes op een aantal punten een verschillend ontwikkelingspad volgen. Denk aan beweeglijkheid, taal, anticipatie en planning, riskant gedrag, tempo van rijping, en meer). Als Visser verderop spreekt over ‘brein-bla-bla’ schrijft is dit onnodig badinerend. Dit doet ook geen recht aan de kwaliteit van zijn overige bijdragen. Is hij hierin voldoende thuis? Juist kennisname van wat er de laatste jaren op het terrein van de neuropsychologie is onderzocht maakt het onderwijsgevenden gemakkelijker goed in te spelen op zowel jongens als meisjes en ook op hun onderlinge verschillen (‘Waar wát te stimuleren?’). Lees bijvoorbeeld diverse studies van Jelle Jolles c.s. en zijn boek Het tienerbrein (2017).

    Opbouw
    Over de opbouw van de bundel is te discussiëren. Kritiek op de opbouw en de inhoud lopen bij Visser soms door elkaar. Wij, de redacteurs en schrijvers, hebben ervoor gekozen om eerst in een globale inleiding alvast het theoretisch model in hoofdlijnen te behandelen met een meer systematische weergave van de situatie van jongens (misschien niet in de systematiek van Visser, maar dat is iets anders), daarna een stuk over goed onderwijs á la Biesta, dan de 10 hoofdstukken over de praktijk van kinderdagverblijf en primair tot en met hoger onderwijs, en tenslotte het theoretische model en de situatie van jongens verder uit te werken. Over die keuze is lang gedebatteerd met de verschillende schrijvers en dit kwam er uit. We hebben er ook voor gekozen dat elk hoofdstuk afzonderlijk leesbaar moet zijn. Dit brengt met zich mee dat sommige elementen herhaald worden. Sommige hoofdstukken zijn inderdaad meer theoretisch onderbouwd, andere volgen meer de ervaringen uit de praktijk. En het theoretische model is inderdaad niet in alle hoofdstukken expliciet toegepast, maar in zijn uitwerking zeker wel. Iedere schrijver had zelf een zekere vrijheid binnen het gekozen format en is ook verantwoordelijk voor zijn/haar eigen stuk. Daarom is het ook een veelzijdige bundel geworden met natuurlijk verschillen en discussiepunten.

    Losse punten en verder
    De opmerking over de (gemiddelde) voorsprong van jongens bij wereldoriëntatie verbaast mij niet maar is voor mij nieuw; ik zal mij hier zeker in gaan verdiepen.
    Het onderpresteren van jongens is zeker niet alleen iets bij hoogbegaafden, maar geldt over bijna de gehele linie. En hoogbegaafde meisjes dienen soms anders te worden benaderd, hebben soms andere valkuilen en behoeften dan jongens (zie bijv. zoekterm ‘talented girls’ of gifted girls’). Een aantal kleinere punten laat ik hier verder buiten beschouwing (zoals de waardering van het werk van Crott, ook door mij elders bekritiseerd en zeker geen belangrijke kennisbron bij dit boek, of de positie van en de waardering voor de Cito-toets, vgl. de eerdere discussies op deze site over Kirchner e.a.). Dat zou deze reactie te lang maken.
    Laat de discussie vooral verder gaan; dit is het eerste boek dat de jongensthematiek in het Nederlandse onderwijs breed belicht. Moge het de ogen openen voor de problemen, valkuilen en mogelijkheden van jongens en degenen die met hen werken: geen reductie tot hun geslacht, maar open naar de toekomst. Het zit vol tips en casuïstiek. Voor we aan een gewijzigde tweede druk of vervolg gaan denken moet dit eerst maar eens landen in de praktijk en dan kijken we verder. Natuurlijk is hier het laatste woord niet over gesproken.

    Like

Geef een reactie of deel je eigen ervaringen. Graag met je volledige naam en achternaam ondertekenen, geen pseudoniemen. Anonieme reacties worden verwijderd.