Elleke van den Burg-Poortvliet interviewde mij voor het novembernummer van Beter Begeleiden Magazine van de Landelijke Beroepsgroep voor Begeleiders in het Onderwijs (LBBO) over – in haar woorden – schermpjes in de klas. Wat volgt is de neerslag van het interview.

Schermpjes in de klas: is dat nu wel of niet goed? Als je op zoek gaat naar een antwoord stuit je al snel op tegenstrijdige meningen. Prof. dr. Paul A. Kirschner, universiteitshoogleraar en hoogleraar Onderwijspsychologie aan de Open Universiteit, baseert zijn antwoord op wetenschappelijk onderzoek. Hij zegt: ‘De grootste bedreiging van ict is dat kinderen niet leren’.

 ‘Ik heb geen problemen met me keihard uitdrukken’, zegt Paul Kirschner, nog voordat het interview begint. Voor wie hem een beetje volgt in de media, is dat geen verrassende uitspraak. Kirschner blogt onder andere voor de website onderzoekonderwijs.net (zie kader) en schrijft columns voor Didactief. Hij steekt niet onder stoelen of banken dat hij het rampzalig vindt dat er in het onderwijs allerlei ideeën leven die gebaseerd zijn op nonsens. Zo schrijft hij in een column dat de onderwijswetenschappen ‘gezegend’ zijn met een ‘scala aan edukwakzalvers’. Neem de non-theorie over leerstijlen die daardoor ingang heeft gevonden in scholen. ‘Het meest toxische fabeltje’, schrijft hij pittig.

Ook over ict in het onderwijs neemt hij geen blad voor de mond. Dit voorjaar werd hij in het televisieprogramma Zembla aan het woord gelaten over de Steve Jobsscholen van Maurice de Hond, waar kinderen alleen maar leren via tablets. ‘Onzin. Kwakzalverij. Misinformatie’, zegt hij over de ideeën die daaraan ten grondslag liggen. Is de inzet van digitale middelen in de les dan een no go voor deze hoogleraar? Je zou het bijna denken. Maar zijn opvatting blijkt genuanceerder.

 

Geen kookboek

Wat vindt u: hoe groot moet de rol van ict in het onderwijs zijn?

Kirschner: ‘Een laptop of tablet is niet meer of minder dan een gereedschap. Hoe, waarvoor en wanneer je deze gereedschappen inzet, is afhankelijk van wat je wilt bereiken. Als je brood gaat bakken, heb je meestal geen koekenpan nodig. Zo werkt het ook in het onderwijs. Digitale middelen zet je in als zij nut hebben. Dat betekent: als het leren effectiever, efficiënter en meer bevredigend wordt. Met effectiever bedoel ik dat kinderen in dezelfde hoeveelheid tijd meer of dieper leren. Efficiënter betekent dat ze met minder moeite of sneller iets leren. En bevredigend houdt in dat je een gevoel van succes hebt: “ik kan het”. Dat laatste betekent trouwens niet per se dat het onderwijs tot meer fun leidt, maar wel dat de inzet tot voldoening leidt.

Je maakt gebruik van welk gereedschap dan ook als het tot verbetering van een of meer van deze drie aspecten leidt. Als je geen van de drie of als je een of twee aspecten bereikt, maar dit tot nadeel is van een ander aspect, dan zet je geen ict in. Punt uit.’

 

Maar sommige leraren vinden dat juist lastig om te beoordelen. Je kunt bijvoorbeeld rekenen in een schriftje en op een schermpje. Wat is beter? Wanneer wordt effectiever, efficiënter en met meer bevrediging geleerd?

‘Er is heel veel geschreven over hoe je ict effectief in het onderwijs inzet, waarvan ook veel onzin trouwens. Je kunt er geen kookboek voor geven, er is geen ijzeren regel. Er spelen allerlei factoren een rol, je moet bijvoorbeeld rekening houden met wie je voor je hebt. Dat geldt ook voor artsen, die hebben allerlei gereedschappen tot hun beschikking en moeten ook per geval beslissen. Het is belangrijk dat leraren zich altijd afvragen: wat wil ik bereiken, waarom, welke gereedschappen heb ik daarvoor tot mijn beschikking en welke is het meest geschikt? Als je dat niet doet, ben je als een snackbarhouder: je hebt één techniek en één gereedschap en alles gaat in de frituur.

Er zijn wel wat algemene richtlijnen. Als je kinderen een langdurig proces wilt leren, kun je een computersimulatie gebruiken en zo de tijd inkorten. Als het de bedoeling is iets te automatiseren, bijvoorbeeld de tafels, dan is herhaling belangrijk, dan moet je oefenen en oefenen. Ook daar zijn digitale programma’s geschikt voor. Alhoewel een computer nog niet goed in staat is om er systeemfouten uit te halen: waarom maakt een kind consequent deze fout? Daarvoor is de leraar nodig.’

‘Leraren leren echter tijdens hun opleiding nauwelijks iets over het gebruik van ict. Dat is een schande. Ze lezen bovendien ook geen wetenschappelijke artikelen of boeken daarover. Dan is het moeilijk om te weten wat je wanneer moet gebruiken. Je wilt toch ook dat een loodgieter weet wanneer gelast of gesoldeerd moet worden? En dat een kok weet welke gereedschappen, technieken en ingrediënten gebruikt moeten worden om een goede maaltijd te bereiden? Moet ik minder van leraren verwachten, die de toekomst van onze kinderen in hun handen hebben?’

 

Ga je bijscholen

Wat raadt u leraren aan?

‘Ga terug naar het onderwijs, ga je bijscholen. Net zoals een arts die jaarlijks terug moet naar de universiteit of naar een postacademische opleiding. En lees erover, bijvoorbeeld The Cambridge Handbook of Multimedia Learning van Richard Mayer. Of huur mij in, dan kan ik het je leren. Verder moeten de lerarenopleidingen beter geëquipeerd worden en betere leraren afleveren. Maar dat gaat over beleid, daar heb ik geen invloed op. Op dit moment zijn mensen al blij als er een hulpmoeder voor de klas kan staan, omdat de leraar griep heeft. Dat zijn de huidige problemen.’

 

U zegt: huur mij in. Wat vertelt u leraren, wat is uw belangrijkste boodschap?

‘Leraren moeten aan de ene kant de mogelijkheden van de verschillende gereedschappen kennen en de vaardigheden bezitten om ze te gebruiken. Aan de andere kant moeten ze de pedagogische en didactische technieken diepgravend begrijpen, om een goede keuze uit de gereedschappen te kunnen maken. Daar moeten leraren les in krijgen, op een diep, conceptueel niveau. Dat is een ingewikkeld en langdurig proces.’

 

In alles wat ik over u heb gelezen, heb ik wel de indruk dat uw boodschap is: laat die rol van ict in de les niet zo groot zijn.

‘Dat klopt.’

 

U noemt het gebruik van laptops in collegezalen bijvoorbeeld ‘het nieuwe meeroken’. Wat bedoelt u daarmee?

‘Als studenten in de collegezaal hun laptop open hebben, is 30 tot 50 procent van hen iets anders aan het doen dan luisteren naar degene die college geeft. Dat weten we uit onderzoek. Dit komt door de afleiding die onweerstaanbaar is: er komt een bericht binnen via Facebook of wat dan ook. Die groep studenten ben je dus kwijt.

Een ander deel maakt aantekeningen. Maar ze typen zó snel, dat datgene wat ze horen niet landt in hun hoofden. Het is net als steno: ze typen alleen maar wat ze horen, ze verwerken de stof niet. Het gaat hun oren in en hun vingers uit. Dit gebeurt doorgaans niet als je schrijft met de hand; dan ben je aan het samenvatten, aan het parafraseren, je pikt de belangrijkste woorden eruit. Je verwerkt dat wat je hoort meteen cognitief en onthoudt het daardoor beter.

Er is tot slot ook een groep studenten die ervoor kiest hun laptop niet open te doen. Maar als hun buurman of buurvrouw de laptop wel open heeft, worden ze afgeleid. Dat willen ze niet, ze hebben bewust hun telefoon uitgezet en hun tablet in hun tas gelaten, maar het gebeurt wel. Het scherm flikkert, hun aandacht gaat ernaartoe en als vanzelf lezen of kijken ze mee. Je kent dat wel van als je in de trein zit; je ogen worden zonder meer naar het scherm van een ander getrokken. 25 tot 45 procent van die studenten zegt dat ook: ik word afgeleid door devices van anderen. Je kunt de parallel maken met roken. Als ik er bewust voor kies om niet te roken, en ik zit op een terras waar anderen wel roken, dan rook ik mee.’

 

Wat betekent dit voor het basis- en voortgezet onderwijs? Welke les kunnen scholen hieruit leren?

‘Het maakt niet uit hoe oud je bent: als iemand naast je zit met een scherm, word je afgeleid. Dus: doe die laptop of tablet uit als ze niet als gereedschap voor de leerlingen nodig zijn. In mijn presentaties aan studenten staat altijd op de eerste slide de titel en op de tweede: tablets uit, laptops dicht. Dit kun je ook van middelbare scholieren vragen.’

 

Er zijn middelbare scholen waar telefoontassen hangen. Leerlingen stoppen voor aanvang van de les hun telefoon erin.

‘Dat is verstandig. Waarom zou je dat niet doen? Geef de telefoons terug op het moment dat het weer kan.’
Met stemverheffing: ‘De grootste bedreiging van digitale middelen is dat je níét léért. En daarom gaan we naar school: om te leren!’

 

Digitale geletterdheid

U laat zich geregeld kritisch uit over de 21e-eeuwse vaardigheden. Daartoe behoort ook digitale geletterdheid, dat volgens SLO bestaat uit ict-basisvaardigheden, mediawijsheid, informatievaardigheden en computational thinking. Wat is uw kritiek precies?

‘Het is pure onzin om digitale vaardigheden een geïsoleerde plek in het curriculum te geven, dat gaat niet werken. Je kunt alleen leren in een context. Hadden we vroeger het aparte vak pengeletterdheid waarin kinderen bijvoorbeeld een samenvatting leren schrijven? Of het aparte vak bibliotheekgeletterdheid? Nee. Kinderen leerden bijvoorbeeld tijdens het vak geschiedenis hoe ze in de bibliotheek moesten zoeken naar informatie. Ook het maken van een samenvatting werd en wordt in allerlei vakken aangeleerd. Zo werkt het ook met digitale geletterdheid. Je moet in alle vakken op school gebruik kunnen maken van digitale middelen. Daarom moeten deze vaardigheden in alle vakken aan bod komen.

Neem computational thinking, wat inhoudt dat je een probleem ontleedt in deelproblemen. Als ik niets weet van biologie, dan kan ik een probleem niet opdelen in deelvragen. Ik ken misschien een procedure – de zogenoemde procedurele kennis van de stappen van een probleem oplossen – maar kan die niet toepassen. Je kunt niet digitaal geletterd zijn in iets waarvan je niks weet. Kennis gaat vooraf aan digitale geletterdheid.’

 

Hoe denkt u over leren programmeren? Moet dat een plek krijgen in ons onderwijs?

‘Programmeren is de heilige graal geworden. Net zoals dat vroeger Latijn was – daar zou je logischer van gaan denken. Maar daar zijn ze ook van teruggekomen. Ik heb geen glazen bol, maar ik verwacht niet dat veel kinderen programmeren in de toekomst nodig zullen hebben. Ik heb zelf ook leren programmeren in verschillende talen en gebruik dagelijks een computer, maar ik heb het daarna nooit meer gebruikt. Alleen informatici moeten het kunnen, en dan ook nog maar een deel ervan. Straks zullen machines het waarschijnlijk voor ons doen, als ik de machine learning experts moet geloven.

Er wordt gezegd dat je door te programmeren logischer en in stappen leert denken en beter wordt in wiskunde. Maar het is nooit bewezen dat het leren programmeren je meer oplevert dan het leren van het programmeren in de taal zelf; met andere woorden dat transfer plaatsvindt. Bovendien: als we het kinderen nu aanleren, en ze gebruiken het niet dagelijks, dan hebben ze er niks meer aan tegen de tijd dat ze twintig zijn.’

 

Onderzoek beoordelen

Tot slot: er wordt vaak gezegd dat het onderwijs te weinig doet met uitkomsten van onderzoek. Maar als je dit wel zou willen, is dat nog geen eenvoudige opgave. U schrijft zelf ook in een blog: ‘Zelfverklaarde experts kunnen dankzij internet alles publiceren wat ze willen … zodat we geen idee meer hebben wat waar is en wat niet’. Heeft u een tip: hoe kun je beoordelen wat waar is over ict in het onderwijs?

‘Als je wetenschappelijke publicaties leest, moet je kunnen bepalen of dat wat beweerd wordt, beweerd mag worden. Daarvoor heb je kennis nodig van de inhoud en van wetenschappelijke methoden en technieken. De belangrijkste vraag is: kun je op basis van dit onderzoek deze conclusies trekken?

Als er niet werkelijk gemeten is of er geleerd is, kan een onderzoek de prullenbak in. Een voorbeeld: de uitkomst van een onderzoek naar een interventie is dat kinderen zéggen dat ze beter of meer geleerd hebben. Dat zegt dus niets! Of er staat dat leraren van mening zijn dat leerlingen goed geleerd hebben. Op basis daarvan kun je geen conclusies trekken over de effectiviteit van de interventie.

Ten tweede is een controleconditie essentieel. Is een vergelijkbare groep getest? Als dat niet zo is, kun je geen uitspraken doen over wat je onderzocht hebt. Als ik een medicijn tegen verkoudheid gebruik en na acht dagen is mijn verkoudheid weg, zegt dat niks over de werking. Je moet het controleren bij mensen die het medicijn niet hebben geslikt: na hoeveel tijd was hun verkoudheid over?

Tot slot moet je je afvragen of de controleconditie werkelijk een controleconditie is. Kun je beide groepen wel met elkaar vergelijken? Zijn alle omstandigheden precies hetzelfde, op de interventie na?’

 

Dat zijn mooie handvatten.

Fel: ‘Dit zijn simpele vuistregels. Ze zouden in de opleidingen moeten zitten!’

 

Onderzoek over ict en onderwijs: dit móét je lezen

Paul Kirschner tipt drie belangrijke publicaties:

  • Kirschner, P. A., Sweller, J., & Clark, R. E. (2006). Why minimal guidance during instruction does not work: An analysis of the failure of constructivist, discovery, problem-based, experiential, and inquiry-based teaching. Educational Psychologist, 46(2), 75-86. doi:10.1207/s15326985ep4102_1
    Kirschner: ‘Dit is een bespreking over waarom ontdekkend leren niet werkt en niet kan werken en waarom expliciete instructie dat wel doet. Dit artikel is door velen gezien als het meest belangrijke artikel van deze eeuw op het gebied van de onderwijspsychologie’.
  • Kirschner, P. A., & van Merriënboer, J. J. G. (2013). Do learners really know best? Urban legends in education. Educational Psychologist, 48(3), 1-15. doi:10.1080/00461520.2013.804395
    ‘Dit artikel bespreekt een aantal mythes – broodje-aapverhalen – in het onderwijs, zoals digital natives/de homo zappiens, leerstijlen en zelfgestuurd leren.’
  • Mayer, R. (1995). Multimedia Learning: Are We Asking the Right Questions? Educational Psychologist, 32(1), 1-19.
    ‘Dit artikel vormt de basis van de Cognitieve Theorie van Multimedia Leren en is als zodanig een must read voor allen die willen begrijpen hoe zij moeten omgaan met multimedia in het onderwijs.’

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

About Paul Kirschner

Nederlands: Prof. dr. Paul A. Kirschner, dr.h.c. is Universiteishoogleraar en hoogleraar Onderwijspsychologie aan de Open Universiteit. Hij is ook Visiting Professor Onderwijs met een leerstoel in Leren en Interactie in de Lerarenopleiding aan Oulu University (Finland) waar hij ook een Eredoctoraat heeft (doctor honoris causa). Hij is een internationaal erkende expert op zijn gebied en heeft zitting gehad in de Onderwijsraad in de periode 2000-2004 en is lid van de Wetenschappelijk Technische Raad van SURF. Hij is Fellow of the American Educational Research Association (AERA; NB de eerste Europeaan aan wie deze eer werd toegekend), de International Society of the Learning Sciences (ISLS) en van de Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Science of the Royal Dutch Academy of Sciences (NIAS-KNAW). Hij was President van de International Society for the Learning Sciences (ISLS) in de periode 2010-2011. Hij is Hoofdredacteur van de Journal of Computer Assisted Learning en Commissioning Editor van Computers in Human Behavior, en hij is auteur van Ten steps to complex learning (Routledge/Erlbaum). Hij schrift ook regelmatig voor Didactief (de kolom KirschnerKiest over wat docenten kunnen met wetenschappelijke resultaten). Hij is ook medeauteur van het boek Jongens zijn slimmer dan meisjes XL (EN: Urban Myths about Learning and Education). Hij wordt gezien als expert op veel gebieden en vooral computerondersteund samenwerkend leren (CSCL), het ontwerpen van innovatieve, elektronische leeromgevingen, mediagebruik in het onderwijs en het verwerven van complex cognitieve vaardigheden. English: Paul A. Kirschner (1951) is Distinguished University Professor and professor of Educational Psychology at the Open University of the Netherlands as well as Visiting Professor of Education with a special emphasis on Learning and Interaction in Teacher Education at the University of Oulu, Finland where he was also honoured with an Honorary Doctorate (doctor honoris causa). He was previously professor of Educational Psychology and Programme Director of the Fostering Effective, Efficient and Enjoyable Learning environments (FEEEL) programme at the Welten Institute, Research Centre for Learning, Teaching and Technology at the Open University of the Netherlands. He is an internationally recognised expert in the fields of educational psychology and instructional design. He is Research Fellow of the American Educational Research Association and the Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Science. He was President of the International Society for the Learning Sciences (ISLS) in 2010-2011, member of both the ISLS CSCL Board and the Executive Committee of the Society and he is an AERA Research Fellow (the first European to receive this honour). He is currently a member of the Scientific Technical Council of the Foundation for University Computing Facilities (SURF WTR) in the Netherlands and was a member of the Dutch Educational Council and, as such, was advisor to the Minister of Education (2000-2004). He is chief editor of the Journal of Computer Assisted Learning, commissioning editor of Computers in Human Behavior, and has published two very successful books: Ten Steps to Complex Learning (now in its third revised edition and translated/published in Korea and China) and Urban Legends about Learning and Education (also in Dutch, Swedish, and Chinese). He also co-edited two other books (Visualizing Argumentation and What we know about CSCL). His areas of expertise include interaction in learning, collaboration for learning (computer supported collaborative learning), and regulation of learning.

Category

evidence-based, onderwijs, onderzoek

Tags

, , , , , ,