Meesters die riepen dat je moest leren luisteren en synchroon aan je oren trokken, je vond ze vroeger overal. Ook de toeschouwers zouden een lesje leren als ze zagen hoe de oorschelpen van hun klasgenoten vergrootten. De boodschap is gebleven, de fysieke straf om de boodschap te versterken gelukkig niet.

Dit blogbericht spit niet de sensatie van de lijfstraf maar het bevel zelf uit. Wat bedoelen leraren eigenlijk als ze zeggen dat kinderen moeten luisteren? Wat zegt het over hoe die leraren denken over kinderen?

Vraag 1: Wat is luisteren?

Van Dale woordenboek geeft meerdere betekenissen aan. Twee ervan lijken me relevant: “(met aandacht) horen om iets te vernemen” en “gehoorzamen”. De eerste slaat op het bewust laten doordringen van auditieve boodschappen. De tweede betekenis voegt daar iets aan toe: de luisteraar moet ook doen wat gevraagd wordt.  

Hoe duidelijk een boodschap ook moge zijn voor de kleuteronderwijzers, hij is dat daarom nog niet voor de kleuters, zelfs niet voor de kinderen die hun oren bewust en gericht open houden.

  • Soms betekent luisteren doen wat ik zeg. Dat is het geval wanneer de leraar expliciet aangeeft dat de leerling zijn boterhammen in de ene box moet leggen, het stuk fruit in de andere, zijn agenda bovenaan de stapel op de hoek van de lessenaar en vervolgens moet stilzitten op zijn stoel. Gedetailleerde instructies correct uitvoeren is iets waar de goede luisteraar meestal toe in staat is.
  • Maar luisteren betekent vaker niet doen wat je weet dat je niet mag doen. Kinderen die verbodsbepalingen naleven moeten snappen wat taboe is: bijten, in plassen rollen,… en liefst zonder dat alle don’ts voortdurend herhaald moeten worden.

Dat laatste sluit naadloos aan bij wat ik ooit schreef over Pamela Druckermans opvoedingsboek Franse kinderen gooien niet met eten. Onze zuiderburen bieden hun kroost naar verluidt een pedagogisch kader met heldere grenzen van wat toelaatbaar is. Daarbinnen gunnen ze kinderen grote vrijheid. Dus, in plaats van alles te willen voorschrijven wat hun kinderen moeten doen, verkiezen Franse ouders het omgekeerde, ze verbieden wat ontoelaatbaar is in de concrete situatie. Goed opvoeden is volgens Druckerman niet zeggen hoe kinderen wel moeten spelen in een speeltuin, maar duidelijk maken dat alles kan behalve vechten met andere kinderen en weglopen.

Vraag 2: Kunnen kinderen eigenlijk wel luisteren?

Kinderen horen beter dan ik, maar of ze in staat zijn alle informatie te verwerken en ernaar te handelen is nog iets anders. Laat me vooreerst alle mogelijke beperkingen op vlak van gehoor,  verstaanbaarheid en werkgeheugen buiten beschouwing laten. Zelfs op de logische vraag of het wel mogelijk is alle gewenst of ongewenst gedrag te beschrijven, ga ik liever niet te diep in. Ik stip gewoon aan dat het knap lastig moet zijn. Als je als ouder weet dat er in een parkje wel eens een verdwaalde drugsnaald in de zandbank ligt, kan je er iets over zeggen in gebiedende of verbiedende zin. Maar zelfs al doe je een inspectieronde, je kan nooit alles voorzien en preventief in gewenst of ongewenst gedrag vertalen. Elke ouder en leraar verwacht een grote mate van redelijkheid en reflectie van kinderen. We verwachten dus dat kinderen ons ook kunnen interpreteren. Hoe moeilijk dat is, vragen we best aan onze partner, een volwassene die vaak meer ervaring heeft met het luisteren naar onze boodschappen.

 Als stap 1 voor het kind de volwassene horen is en hem interpreteren de tweede is, dan volgt er nog een derde. We veronderstellen dat het kind in staat is zijn gedrag in de juiste richting te sturen. De orentrekkende leraar was zeker van zijn stuk. Het kind dat de spreekwoordelijke rode lijn passeerde, trof schuld. Het werd hard aangepakt omdat het wist hoe het zich moest gedragen en toch bewust de regels aan zijn laars lapte. De harde leraar was met andere een believer in de vrije wil van de mens, zelfs van het kind.

Vraag 3: Is goed gedrag stellen gewoon een kwestie van willen?

Dat iedereen altijd zou weten hoe zich te gedragen is al kras als veronderstelling, maar aannemen dat iedereen er ook altijd bewust kan voor kiezen, is nog straffer. Wie zo denkt, aanziet de mens als een superwezen. Praktische bezwaren overstijgen is dan nog onze minste zorg. De essentie van de kritiek op zo’n mensbeeld is dat het hem overschat. Het leren van kleuters en volwassenen is beperkt en zo is ook hun vrije wil. Let wel, daarom beweren we nog niet het tegenovergestelde, dat hun wil geen enkele invloed heeft op hun gedrag. Opgelet, wie zo redeneert kan nog heel verschillend denken over wat ons gedrag dan wel bepaalt. Er zijn er die voorstaan dat alle mensen gedetermineerd zijn, dat hun gedrag van bij hun geboorte genetisch vastligt. Anderen in die grote groep van ongelovigen in de vrije wil zien de mens eerder als speelbal van zijn driften .

Hoed af voor een reus

Het beste boek dat ik in 2018 las, was Robert Sapolsky’s Behave, een klepper van 800 pagina’s. Een complex boek over de al even ingewikkelde biologische natuur van ons gedrag en de grenzen aan zijn kneedbaarheid. Mocht het vertaald zijn, ik zou het verplichte lectuur durven noemen voor denkers die met mensen werken, terwijl Sapolsky niet eens de ambitie had een opvoedingsboek te schrijven. Wat hij wel deed, is de factoren beschrijven die kunnen aanzetten tot het beste en het slechtste menselijke gedrag of dat net belemmeren. Zijn insteek is bovendien hoogst origineel. Sapolsky legt gedrag uit door te analyseren wat eraan voorafging, zonder het daarom helemaal te verklaren. Hij gaat stelselmatig verder terug in de tijd. Wat gebeurt er in onze hersenen en spieren milliseconden voor we ons schuldig maken aan een genocide of een brandend gebouw binnendringen om er een onbekende uit te redden? Maar net zo goed bekijkt hij wat er doorheen de eeuwen in ons menselijk DNA en onze culturele gebruiken is geslopen dat de kans verhoogt dat we dat meest verderfelijke of nobele gedrag stellen. Hopelijk zetten de ideeën die ik hieronder overneem enkele mensen aan tot het lezen het boek zelf dat duizend keer rijker is dan dit blogbericht.

Nature, nurture en veel context

Goede lezers zullen in Behave een optimistische boodschap lezen, ondanks de vele factoren die onze vrije wil inperken. Laat er me enkele noemen.

  • Volgens Sapolsky zijn verklaringen voor ons gedrag in principe altijd meervoudig. We moeten dus niet zoeken naar die ene verklaring voor een specifiek uitzonderlijk gedrag en al helemaal niet naar de dominante factor of drijfveer die alle gedrag zou verklaren. Factoren tellen niet alleen op, ze beïnvloeden elkaar. Ik kan een genenset hebben dat me meer gevoelig maakt voor bepaalde prikkels dan jou. Bepaalde zenuwbanen kunnen bij mij sterker zijn dan bij jou omdat ik een gedrag al meermaals gesteld heb of zelfs doordat ik deel uitmaak van een (sub)cultuur waar dat gedrag vertrouwd is. Daardoor ben ik er spontaan toe geneigd, terwijl datzelfde gedrag stellen voor jou in die situatie gegeven jouw ervaringsgeschiedenis veel minder vanzelfsprekend is, misschien zelfs niet in je zou opkomen als alternatief.

Vb. Ik kan van nature gevoeliger zijn voor verslaving / van een fles wijn openen bij het avondeten een gewoonte gemaakt hebben / en in kringen vertoeven waar alles met bubbels gevierd wordt / waardoor zelfs een nieuwe collega voorstellen reden kan zijn om op café een rondje te geven en er te blijven plakken… terwijl jij gewoon tien bureaus langsgaat om de nieuwkomer te introduceren bij de naaste collega’s. De tik die het ene kind uitdeelt aan het andere omdat die verf op zijn tekening gespat heeft, is in wezen niet anders. Het is een gedragsuitkomst uit een oorzaken en gevolgenketting die voor het ene kind waarschijnlijker is dan voor het andere. Maar degene die eerder geneigd is zijn vriendje beleefd terecht te wijzen kan in andere situaties spontaan voor minder sociaal wenselijke gedragsalternatieven kiezen. Zelfs dagelijks fruit eten is voor de een een gewoonte en voor de ander een bijzonder aandachtspunt. Een appel grijpen ligt veel meer voor de hand als er om 10u standaard een fruitmoment is, dan als er nergens in de klas of thuis een stuk fruit te vinden is. Ik eet meer fruit op het werk waar ik langs de (gratis) fruitmand passeer dan thuis, waar het fruit minder in het zicht staat en ik geen middagroutine ontwikkeld heb waar fruit een rol in speelt.      

  • Alsof dat nog niet voldoende is, spelen ook stress, angst, socio-economische status, de mate waarin we ons geliefd voelen, hersenschade, de kwaliteit van het leefmilieu in de baarmoeder dat we als foetus ervaren hebben en ons slaap- en eetpatroon een sturende rol in ons gedrag. Sapolsky waarschuwt voor een verkeerde interpretatie van die factoren. De verleiding is groot om er een soort van een biologisch kader in te zien, waarbinnen de iets minder vrije wil, een beperkte rest-handelingsvrijheid geniet. Nee, de dualiteit zelf klopt niet. Een voorstelling waarbij fysieke factoren biologisch geduid worden en al het mentale als niet-biologisch, is fout. Ook wat er in ons hoofd omgaat, is biologisch. Daarom herleidt Sapolsky de mens nog niet tot een dier als alle andere. De mens is een speciaal dier, eentje dat bijzonder veel leert en betekenis geeft. Maar dat extraatje is niet minder biologisch of natuurlijk dan onze hormonenspiegel.

Vb. Stress en een slaaptekort maken mensen prikkelbaar en doen hen vaker voor de meest voor de hand liggende oplossing kiezen, bv. de ander een duw of snauw geven in plaats van er een moeilijk gesprek mee beginnen. (Agressie luwt trouwens doorgaans stress bij mensen die meer tot agressief gedrag neigen.) Die wilszwakte of vernauwing van het handelingsrepertoire is even biologisch als impulsreacties zoals vechten of vluchten wanneer we ons in het nauw gedreven voelen.     

  • De lijst van factoren die ons gevoeliger, kwetsbaarder en meer of minder geneigd maken het goede of het slechte te doen is eindeloos. Toch ligt niet alles vast. Mensen kunnen weerbaarheid tonen, individuele en collectieve levens een andere wending geven, onverwachte -of onwaarschijnlijke- keuzes maken. We mogen dan van nature in termen van wij en zij denken, maar de categorieën zijn niet in steen gebeiteld. We hoeven niet te denken vanuit een tweedeling mensen zoals ik van rond 50 met een licht Antwerps accent versus anderen of vreemden.

Vb. Je kan kinderen op school leren dat huidskleur en geloof belangrijk zijn, maar ze kunnen net zo goed leren dat die eigenschappen irrelevant zijn voor het spelen in de bouwhoek. Wie schreef ook alweer op Kleutergewijs dat je als kind gauw leert dat je geslacht belangrijk is op school als je elke morgen begroet wordt met “goedemorgen jongens en meisjes”? Kinderen kunnen het gegeven samen in de klas van juf Amina zitten en niet in die van meester Tommy wel een reden vinden om samen in de zandbak te gaan spelen en thuis dezelfde taal spreken niet.

De geschiedenis geeft er ook talloze voorbeelden van. Tijdens het Kerstbestand van 1914, WO I, vormden de soldaten in de loopgraven aan weerszijden een wij, tegen hun legerleidingen. Ondanks alle propaganda voelden ze verbondenheid –een wij-gevoel- met degenen die verondersteld werden de grote vijand te zijn.

Sommige stand-upcomedians spelen daar mee. De Iraanse Duitse of moet ik zeggen Duits Iraanse Enissa Amani positioneert zich wisselend als Iraanse, vreemdelinge, moeder en jongere. Delen van haar publiek schuiven voortdurend van haar wij-groep naar de zij-groep, de anderen.

Nudging

De mens is een raar beestje. Aan ons om er goed mee om te gaan. In dit licht is het vreemd dat we in de Belgische rechtspraak uitgaan van het idee van toerekeningsvatbaarheid in absolute termen, wel of niet. Zelden zijn we het helemaal wel of totaal niet, hoe hard men ook aan onze oren trekt.

Interessanter nog dan de schuldvraag is hoe we ons organiseren opdat het goede gedrag meer kans maakt en het foute gedrag bemoeilijkt wordt, misschien zelfs specifiek voor bepaalde mensen in specifieke contexten.

Sapolsky zelf geeft het voorbeeld van epilepsiepatiënten. Die verbieden we auto te rijden wanneer ze gevaar lopen op een aanval. We doen dat niet als straf voor hen, mensen die het niet verdienen te mogen rijden. Misschien kunnen we wel meer gedrag nudgen of selectief bemoeilijken?

An apple a day, keeps the doctor away

Grenzen aan onze vrije wil werken vaak ook in ons voordeel. Wie goede gewoonten aangeleerd heeft, zal buiten zijn vrije wil om sporten, fruit eten en zich behulpzaam opstellen. Meer nog, echte helden… denken zelden. Als alle burgers die Joden onderdak verleenden tijdens WO II of in ijskoud water sprongen om onbekenden van de verdrinkingsdood te redden twee keer zouden nagedacht hebben, dan stelden ze wellicht hun heldendaad niet. Zij vinden het gewoon, vanzelfsprekend wat ze deden of doen. Ik stond er niet bij stil. Dat doe je toch gewoon, niet?

Kweek jij mee helden die zichzelf alles behalve helden voelen? Vorm jij anderen voor wie een klasgenootje troosten de normaalste zaak van de wereld is en vals spelen iets is dat niet eens in hun hoofd opkomt, zo niet een impuls die ze makkelijk kunnen controleren?

Op Kleutergewijs verschijnt een kortere versie van deze tekst. 

Druckerman, Pamela (2012) Franse kinderen gooien niet met eten. Balans – Amsterdam.

Sapolsky, Robert M. (2017) Behave. Penguin – London.

 

Join the conversation! 1 Comment

  1. […] het blogcollectief OnderzoekOnderwijs staat een meer uitgebreide versie van deze tekst waarin ik meer inga op factoren die volgens Sapolsky ons gedrag bepalen. Je vindt er ook meer […]

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

About johandewilde

Opleidingshoofd professionele Bacheloropleiding Kleuteronderwijs Odisee (Aalst) breed geïnteresseerd in onderwijskundige thema's, maar bijzonder in startende leraren en informeel leren. werkte voorheen in binnen- en buitenland als leraar, vormingswerker, projectcoördinator en onderwijsadviseur.

Category

onderwijs