21 February 2015

Neurokwatsch

Deze blog schreef ik oorspronkelijk voorhet januarinummer van het blad Didactief waar ik tweemaandelijks iets schrijf over m.i. spraakmakend wetenschappelijk onderzoek en wat de betekenis daarvan is in/voor het onderwijs.

‘Al een aantal decennia lang volharden mythes over de hersenen – neuromythes – in scholen en hoger-onderwijsinstellingen, vaak om ineffectieve doceeraanpakken te rechtvaardigen.’ Mooier dan Howard-Jones in zijn onlangs verschenen artikel in Nature Reviews Neuroscience kan ik het niet zeggen. Hij gaat verder: ‘Stel je voor dat hersenen maar voor 10% actief zijn, krimpen als je geen 6-8 glazen water per dag drinkt en dat de communicatie tussen de twee breinhelften gestimuleerd kan worden door twee onzichtbare knopen op je borst te masseren.’ Zulke klinkklare onzin kunnen neurowetenschappers zich volgens hem maar moeilijk voorstellen, maar docenten over de hele wereld blijken het normaal te vinden en dit leidt dus tot het inzetten van ineffectieve en ongetoetste onderwijsaanpakken die het leren eerder verhinderen dan stimuleren.

En wat zijn die mythes? Volgens Howard-Jones is misschien wel de meest voorkomende mythe dat mensen het beste leren als zij onderwijs krijgen volgens hun geprefereerde leerstijl. Maar leerstijlen zijn neurowetenschappelijk gezien onzin (omdat de verschillende delen van het brein met elkaar in verbinding staan) en er ook bergen bewijs tegen zijn. Howard-Jones presenteert een tabel uit eerder onderzoek van hem samen met Dekker, Lee en Jolles (Frontiers in Psychology, 2012) naar vijftien door de OESO aangewezen neuromythes. Die tabel toont de meest voorkomende neuromythes onder werkende docenten in vijf landen (Verenigde Koninkrijk, Nederland, Turkije, Griekenland, China). De Nederlands top‑3 bestaat uit de net genoemde mythe van leerstijlen (96% van alle Nederlandse docenten gelooft hierin), de mythe dat korte spurts van coördinatie-oefeningen de integratie van de linker- en rechter breinhelften verbeteren (82%) en dat verschillen in dominantie van breinhelften het verschil verklaren tussen het leren van leerlingen (86%). Zeven van de vijftien mythes beschouwden ruim de helft van de docenten als waar!

In zijn artikel gaat Howard-Jones niet alleen in op wat er mis is met zulke meningen, maar ook op de vraag waarom deze mythes voortleven. Zijn conclusie: de feiten zijn complex en worden vaak niet begrepen, het bewijs is vaak verstopt in technische tijdschriften met eigen taal óf de mythe is niet toetsbaar (zoals ook niet te toetsen is hoeveel engeltjes op de kop van een speld kunnen staan). Dit vormt een uitstekende voedingsbodem voor emoties, geloven en culturen, met alle nare gevolgen van dien.

Tot slot legt hij uitstekend uit waarom een aantal prille en soms verkeerd begrepen onderzoeksresultaten in de neurowetenschap in de toekomst toch relevant zouden kunnen zijn voor het leren. Het gaat hier bijvoorbeeld om de bevinding dat beloning tot dopamineproductie leidt wat weer pleziergevoelens opwekt. Dit wordt al snel versimpeld tot de oneliner dat het belonen van leerlingen motiverend werkt. Voor neurowetenschappers betekent het woord motivatie echter een zeer kortdurige, bijna lichamelijke behoefte aan iets. Het is dus niet zo dat als je  leren maar ‘leuk’ maakt, dit leidt tot dopamineproductie en dus motivatie.. Of neem de bevinding dat adolescenten de risico’s van hun gedrag niet beseffen. Op basis daarvan wordt niet alleen problematisch gedrag vergoeilijkt door te verwijzen naar de  hersenontwikkeling, maar worden ook maatregelen getroffen die uitgaan van het ontbreken van vrije wil bij adolescenten. Maar daarvoor is geen enkel bewijs. Op dit moment worden op basis van fundamenteel onderzoek verstrekkende, maar slecht gefundeerde praktische conclusies getrokken voor en in het onderwijs. De bevindingen kloppen, de getrokken onderwijsconclusies zijn  mythen.

Howard-Jones c.s. concludeerden al dat ‘docenten die enthousiast zijn over de mogelijke toepassing van neurowetenschap in de klas moeite hebben om pseudowetenschap van wetenschap te onderscheiden…[en dat]…algemene kennis over het brein de docent niet beschermt tegen neuromythes’. Ofwel zoals Albert Einstein al zei: ‘A little knowledge is a dangerous thing.’

Dekker, S., Lee, N. C., Howard-Jones, P. A., & Jolles, J. (2012). Neuromyths in education: Prevalence and predictors of misconceptions among teachers. Frontiers in Psychology, 3, 429. doi: 10.3389/fpsyg.2012.00429

Howard-Jones, P. A. (2015). Neuroscience and education: myths and messages. Nature Reviews Neuroscience, 15, 817–824 (2014). doii:10.1038/nrn3817

Volg mij ook op Twitter: @P_A_Kirschner

Join the conversation! 13 Comments

  1. Vorig schooljaar de docenten op mijn school gevraagd mee te doen aan de mythe-quiz die ik gemaakt had, 10 van de 100 waren zo dapper. Hierbij gebruik gemaakt van “Jongens zijn slimmer dan meisjes en andere mythes over leren en onderwijs” van Casper Hulshof & Pedro De Bruyckere. De winnaar was onze langst zittende leerlingbegeleider met het minst aantal goede antwoorden, hij kreeg het boekje van mij cadeau met de opdracht het na lezing door te geven aan de anderen. Zo probeer ik een steentje bij te dragen aan de strijd tegen de onderwijsmythes. Iets voor alle scholen?

    Reply
    • Helemaal goed zo’n quiz……heb je die ergens online staan, mag ik die ook eens loslaten op mijn collega’s?

      Reply
    • Invloed van pedagogische hypes (onzin) en onderwijsgoeroes ook in de Vlaamse lerarenopleidingen
      We stelden vast dat de pedagogische hypes over leerstijlen, competentiegericht leren, multitasken e.d. wel ook veel invloed hadden/hebben op de Vlaamse lerarenopleidingen en op bijscholingssessies voor leraren uit het voortgezet en lager onderwijs.

      Rond 1996 mocht b.v. de Ned. prof. Vermunt overal op de nieuwe hogescholen zijn evangelie over leerstijlen bij studenten komen verkondigen. Men nam het ons heel kwalijk als we achteraf de bruikbaarheid van die theorie in vraag stelden. De vrijgestelden van de nieuwe hogescholen nodigden vooral Nederlandse ‘onderwijsexperts'(?) uit als prof.Wijnen, Vermunt en Co. Naar onze mening als ervaren lerarenopleiders werd nooit gevraagd. We werden als conservatief bestempeld omdat we niet geloofden in nieuwe hypes als leerstijlen, competentiegericht en constructivistisch leren …. en pleitten voor het behoud van de contacturen. Wat later mocht de Leuvense prof. F. Dochy overal uitpakken met zijn multitasken en competentiegericht leren – ook op bijscholingen voor leerkrachten secundair onderwijs vanwege onderwijskoepels, diocesane begeleidingsdiensten, didactische centra ….

      De opname van de lerarenopleiding binnen een hogeschool leidde ertoe dat we veel pedagogische autonomie verloren. Er werd ook voortdurend druk uitgeoefend om minder uren les te geven. Op heel wat lerarenopleidingen zijn er momenteel al te weinig contacturen. P.S. Op vandaag spreekt wel niemand meer over de leerstijlen van Vermunt en prof. Dochy horen we ook niet meer over competentiegericht onderwijs. In Onderwijskrant waren we de enigen die weerstand boden tegen de vele hypes.

      Reply
  2. Beste Erik,

    Geweldig – Volgend jaar kan je de meer uitgebride Engelstalige versie van het boek geven die op 9 maar beschikbaar hoort te komen: http://www.bol.com/nl/p/urban-myths-about-learning-and-education/9200000036435286/

    paul

    Reply
  3. Dit is op X, Y of Einstein? herblogden reageerde:

    In de commentaren bij deze blog van Paul Kirschner geeft Erik Wormhoudt een goede tip (en niet alleen omdat hij ons boekje vermeldt): “Vorig schooljaar de docenten op mijn school gevraagd mee te doen aan de mythe-quiz die ik gemaakt had, 10 van de 100 waren zo dapper. Hierbij gebruik gemaakt van “Jongens zijn slimmer dan meisjes en andere mythes over leren en onderwijs” van Casper Hulshof & Pedro De Bruyckere. De winnaar was onze langst zittende leerlingbegeleider met het minst aantal goede antwoorden, hij kreeg het boekje van mij cadeau met de opdracht het na lezing door te geven aan de anderen. Zo probeer ik een steentje bij te dragen aan de strijd tegen de onderwijsmythes. Iets voor alle scholen?”

    Reply
  4. Afwisseling maakt het lesgeven plezieriger.
    Toch ben ik niet in staat om alle leerstijlen toe te passen.

    Kennis van de complexiteit van onze hersenen heb ik nog minder.
    Dit blog heb ik dan ook met interesse gelezen.

    Vriendelijke groet,

    Reply
  5. Rob,

    Omdat er 71 ‘erkende’ leerstijlen zij – zie mij artikel in Educational Psychologist – zou dit betekenen dat er minstens 2.361.183.241.434.822.606.848 verschillende leerstijlcombinaties zijn. Veel succes met het toepassen van leerstijlen 😉

    paul

    Reply
  6. […] ‘Al een aantal decennia lang volharden mythes over de hersenen – neuromythes – in scholen en hoger-onderwijsinstellingen, vaak om ineffectieve doceeraanpakken te rechtvaardigen.’ Mooier dan Howard-…  […]

    Reply
  7. […] Source: onderzoekonderwijs.net […]

    Reply
  8. […] over ‘neurokwatsch’ als hij het heeft over dwaalwegen. Een blog van hem over deze problematiek: http://onderzoekonderwijs.net/2015/02/21/neurokwatsch/. Daarin legt hij uit dat mythes over de hersenen – zogenaamde neuromythen of breinbabbels – […]

    Reply
  9. […] niet echt een reden om een dergelijke ingrijpende maatregel te nemen. Voorkeuren, of het nu om leerstijlen, een dieet (de meeste mensen willen zout, vet, en/of zoet eten), of medische behandelingen (zie […]

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

About Paul Kirschner

Nederlands: Prof. dr. Paul A. Kirschner, dr.h.c. is Universiteishoogleraar en hoogleraar Onderwijspsychologie aan de Open Universiteit. Hij is ook Visiting Professor Onderwijs met een leerstoel in Leren en Interactie in de Lerarenopleiding aan Oulu University (Finland) waar hij ook een Eredoctoraat heeft (doctor honoris causa). Hij is een internationaal erkende expert op zijn gebied en heeft zitting gehad in de Onderwijsraad in de periode 2000-2004 en is lid van de Wetenschappelijk Technische Raad van SURF. Hij is Fellow of the American Educational Research Association (AERA; NB de eerste Europeaan aan wie deze eer werd toegekend), de International Society of the Learning Sciences (ISLS) en van de Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Science of the Royal Dutch Academy of Sciences (NIAS-KNAW). Hij was President van de International Society for the Learning Sciences (ISLS) in de periode 2010-2011. Hij is Hoofdredacteur van de Journal of Computer Assisted Learning en Commissioning Editor van Computers in Human Behavior, en hij is auteur van Ten steps to complex learning (Routledge/Erlbaum). Hij schrift ook regelmatig voor Didactief (de kolom KirschnerKiest over wat docenten kunnen met wetenschappelijke resultaten). Hij is ook medeauteur van het boek Jongens zijn slimmer dan meisjes XL (EN: Urban Myths about Learning and Education). Hij wordt gezien als expert op veel gebieden en vooral computerondersteund samenwerkend leren (CSCL), het ontwerpen van innovatieve, elektronische leeromgevingen, mediagebruik in het onderwijs en het verwerven van complex cognitieve vaardigheden. English: Paul A. Kirschner (1951) is Distinguished University Professor and professor of Educational Psychology at the Open University of the Netherlands as well as Visiting Professor of Education with a special emphasis on Learning and Interaction in Teacher Education at the University of Oulu, Finland where he was also honoured with an Honorary Doctorate (doctor honoris causa). He was previously professor of Educational Psychology and Programme Director of the Fostering Effective, Efficient and Enjoyable Learning environments (FEEEL) programme at the Welten Institute, Research Centre for Learning, Teaching and Technology at the Open University of the Netherlands. He is an internationally recognised expert in the fields of educational psychology and instructional design. He is Research Fellow of the American Educational Research Association and the Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Science. He was President of the International Society for the Learning Sciences (ISLS) in 2010-2011, member of both the ISLS CSCL Board and the Executive Committee of the Society and he is an AERA Research Fellow (the first European to receive this honour). He is currently a member of the Scientific Technical Council of the Foundation for University Computing Facilities (SURF WTR) in the Netherlands and was a member of the Dutch Educational Council and, as such, was advisor to the Minister of Education (2000-2004). He is chief editor of the Journal of Computer Assisted Learning, commissioning editor of Computers in Human Behavior, and has published two very successful books: Ten Steps to Complex Learning (now in its third revised edition and translated/published in Korea and China) and Urban Legends about Learning and Education (also in Dutch, Swedish, and Chinese). He also co-edited two other books (Visualizing Argumentation and What we know about CSCL). His areas of expertise include interaction in learning, collaboration for learning (computer supported collaborative learning), and regulation of learning.

Category

onderzoek

Tags

,