Piet van der Ploeg en Laurence Guérin

Burgerschap in het MBO is onrechtvaardig. Om twee redenen: ten eerste moeten MBO-studenten langer dan hun leeftijdsgenoten wettelijk voorgeschreven burgerschapsonderwijs ondergaan; ten tweede doet de wet- en regelgeving over MBO-burgerschap geen recht aan de bijna-volwassenheid van de jongere studenten van 16 en 17, laat staan aan de volwassenheid van de 18+ studenten, terwijl wet- en regelgeving op andere domeinen dat wel doet. Twee redenen ook om het anders te regelen en aan te pakken.

Geen onderwijs

Burgerschapsonderwijs in het MBO doet doorgaans meer dan politieke en maatschappelijke kennis en knowhow proberen bij te brengen. Het tracht ook gezindheid en gedrag te vormen. Deze vormende insteek is bedenkelijk, omdat het eigen oordeelsvermogen van de studenten erdoor gestuurd en ingetoomd wordt, in plaats gestimuleerd en bewerktuigd. Gezindheid en gedrag vormen onder het mom van onderwijs geven is niet gepast. Onder het mom van burgerschapsonderwijs is het extra ongepast. Immers, burgerschap valt of staat met zèlf weten, zelf denken, zelf afwegen, zelf beslissen. Als studenten iets moeten leren met het oog op burgerschap, dan op zijn minst dit: zèlf weten, zelf denken, zelf afwegen, zelf beslissen. Vorming van gezindheid en gedrag staat hier haaks op.

Het wonderlijke is dat deze wanpraktijk door wet- en regelgeving voorgeschreven wordt. In de wet Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen (WEB) is Burgerschap net als taal en rekenen een “generiek examenonderdeel” (WEB artikel 3 lid 2). De eindtermen worden door het bevoegd gezag (dus op instellingsniveau) vastgesteld “met inachtneming van het kwalificatiedossier” (WEB artikel 3 lid 4). De eindtermen in dit kwalificatiedossier dienen op hun beurt in overeenstemming te zijn met de “generieke kwalificatie-eisen” die in een bijlage bij de wet worden gespecificeerd (WEB artikel 17a lid 3). In de betreffende bijlage beschrijft de wet gedetailleerd wat burgerschapsonderwijs moet nastreven. Het is geordend in vier “dimensies”, namelijk “politiek-juridisch”, “economisch”, “sociaal-maatschappelijk” en “vitaal” burgerschap. Op alle vier dimensies schrijft de wetgever voor dat het MBO-burgerschapsonderwijs kennis en vaardigheden moet bijbrengen, maar daarnaast ook gezindheid en gedrag moet vormen. De terminologie van de wettekst spreekt boekdelen, (zoals eerder opgemerkt en gekritiseerd in het kader van ons NRO-werkplaats-onderzoek): “bereidheid om”, “zich houden aan algemeen aanvaarde regels en procedures”, “adequaat functioneren”, “erkenning”, “acceptatie”.1NRO-Werkplaats “Democratisering van Kritisch Denken”: https://werkplaatsburgerschap.nl

De wet gebiedt dat studenten bepaalde manieren van doen, oordelen, waarderen, leven en samenleven aanleren. De inhoud van de dimensie “vitaal” is onmiskenbaar uitdrukking van leefstijlpolitiek. De inhoud van de dimensie “sociaal-maatschappelijk” ligt in het verlengde van de communitair-neoliberale burgerschapsagenda van de regering (kabinetsbeleid sinds eind jaren negentig: burgers moeten zo veel mogelijk zelf doen en samen doen; “de bal bij de burger” wordt het wel gekscherend genoemd). De inhoud van de dimensie “economisch” dirigeert studenten richting participatie, conformiteit en alles-met-mate. De inhoud van de dimensie “politiek-juridisch” weerspiegelt de overheids- en meerderheidsideologie waarin gedeeld respect voor “basiswaarden” basisvoorwaarde is voor soepel samenleven.2Piet van der Ploeg (2020). Burgerschapsvorming in tijde van communitair neoliberalisme. Analyse van 20 jaar burgerschapsvormingsbeleid. Hengelo: NRO-Werkplaats Democratisering van Kritisch Denken. Te downloaden: https://www.academia.edu/45684958/Kritisch_denken_in_burgerschapsvorming_Bildung_en_beroepsonderwijs

Opvoeding

Het komt erop neer dat MBO-studenten opgevoed worden, terwijl ze 16 jaar en ouder zijn. Leerlingen VWO en HAVO van 16 en ouder worden ook opgevoed in het kader van burgerschapsvorming op school, maar de Wet op het Voorgezet Onderwijs is beduidend minder gedetailleerd en minder dwingend.3Piet van der Ploeg (2021). Wat er mis is met de nieuwe onderwijswet burgerschap: https://www.academia.edu/61097148/Wat_er_mis_is_met_de_nieuwe_onderwijswet_burgerschap En HBO- en WO-studenten hebben helemaal geen wettelijk voorgeschreven burgerschapsonderwijs, ook niet op de leeftijd dat MBO-studenten het nog wel hebben. Opvoeding is een vorm van bevoogding. MBO-studenten worden meer en langer bevoogd dan leeftijdsgenoten op HAVO, VWO, HBO en WO. Er is sprake van ongelijke behandeling.

Bijna volwassen

Naast deze onbillijkheid is er nog een andere. Het wettelijk voorgeschreven burgerschaps-onderwijs doet alsof MBO-studenten die 16 jaar en ouder zijn, nog niet voor vol aangezien kunnen worden. Alsof ze naast onderwijs in kennis en vaardigheden nog opvoeding nodig hebben. Alsof ze bij voldoende kennis en vaardigheden niet zelf wel kunnen uitzoeken, wegen, bedenken, beoordelen en beslissen wat verstandig is, wat het beste is, wat behoorlijk is, wat solidair is, wat in het eigen belang, andermans belang en het algemeen belang is enzovoort. En alsof zij niet zelf mogen kiezen om eventueel onverstandig te zijn, tegen de regels in te gaan, voor zichzelf te leven, van de hand in de tand te leven, inactief te zijn, zich afzijdig te houden, andersdenkenden te wantrouwen, weinig op te hebben met breed gedeelde waarden enzovoort. Alsof ze met hun 16+ niet bijna volwassen zijn. Burgerschapsonderwijs, zoals door de wet voorgeschreven, doet geen recht aan de bijna volwassenheid van MBO-studenten.

De wet- en regelgeving aangaande burgerschap op het MBO verschilt opvallend van wet- en regelgeving op andere domeinen. De Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst bijvoorbeeld. Deze wet maakt onderscheid tussen kinderen tot 12 jaar, jongeren van 12 tot 16 en jongeren vanaf 16 jaar.

Kinderen tot 12 jaar hebben wel recht op informatie (afgestemd op hun bevattingsvermogen), maar de toestemming van het kind is niet nodig.

Bij jongeren van 12 tot 16 jaar is de toestemming van de jongere zelf vereist, naast die van de ouders. In uitzonderingsgevallen is de toestemming van alleen de jongere voldoende.

Jongeren vanaf 16 jaar beslissen zelfstandig en hebben een zelfstandig recht op informatie.

Door drie leeftijdscategorieën te onderscheiden tracht de WGBO recht doen aan de ontwikkeling van de minderjarige, de ontwikkeling van wat hij kan (vermogens) en van wat hij nodig heeft en wil (behoeften en belangen). In deze benadering geldt de 16-jarige als volwassen. Iets vergelijkbaars zien we bij andere wet- en regelgeving. Een domein waarop de wetgever bijzonder precies probeert te zijn in recht doen aan de ontwikkeling, is dat van de arbeid. Ook hier geldt de 16-jarige als praktisch volwassen.

Werken

Kinderen mogen niet werken. Dat is wettelijk geregeld. Kinderarbeid is verboden, althans, aan strenge regels gebonden. De wet- en regelgeving aangaande kinderarbeid is opmerkelijk gedetailleerd. Ze varieert naar leeftijd, met maar liefst acht categorieën: jonger dan 5; jonger dan 7; jonger dan 12; 12 jaar; 13 en 14 jaar; 15 jaar; 16 en 17 jaar; 18 en ouder. Illustratief voor de nuance en precisie is de beschrijving van wat 13- en 14-jarigen wel en niet mogen:

13 of 14:

“Je mag klusjes doen rond het huis en in de buurt. Bijvoorbeeld oppassen bij familie of kennissen of auto’s wassen. Dit mag op schooldagen en op vrije dagen. Je mag op vrije dagen helpen bij ander licht, niet-industrieel werk. Bijvoorbeeld vakken vullen in de supermarkt of reclamedrukwerk bezorgen. Je mag meehelpen in de winkel of het landbouwbedrijf van je ouders. Dit mag alleen als woonhuis en bedrijf 1 geheel vormen. Je mag meewerken aan een uitvoering. Bijvoorbeeld een modeshow lopen, toneel spelen of in een reclamespotje spelen. Jongeren vanaf 14 jaar mogen onder voorwaarden stagelopen. Je mag helpen bij lichte werkzaamheden in een winkel, zoals helpen bij het vakken vullen of inpakken. Je mag helpen bij lichte werkzaamheden in de landbouw. Zoals helpen bij lichte oogstwerkzaamheden, het voeren van kleine dieren of groenten en fruit plukken. Groenten en fruit plukken is verboden als er pas met bestrijdingsmiddelen is gespoten. Je mag helpen bij lichte werkzaamheden op bijvoorbeeld een manege, een camping of in een speeltuin.

Je mag niet: werken in een fabriek; werken met of in de omgeving van machines; werken met gevaarlijke en/of giftige stoffen; dingen tillen die zwaarder zijn dan 10 kilo; dingen duwen of trekken van meer dan 20 kilo; achter de kassa werken; vrachtwagens laden of lossen; zelf kranten bezorgen (helpen bij het verspreiden van folders en huis-aan-huisbladen mag wel); werken in de horeca als daar alcohol wordt geserveerd; werken als maaltijdbezorger op de fiets of op een e-bike.”4Rijksoverheid over werken van kinderen en jongeren: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bijbaan-vakantiewerk-en-stage-door-jongeren.

Kinderen jonger dan 13 mogen minder, kinderen onder de 7 nog minder en kinderen onder de 5 nóg minder. 15-jarigen mogen wat meer dan 13- en 14-jarigen. Voor de 16-jarige is het echt anders. Die geldt als praktisch volwassen. Op je 16de mag je alles, behalve werken met giftige stoffen of schadelijke straling en werken onder overdruk of extreem lawaai. Daarvoor moet je 18 zijn.

Ten aanzien van arbeid houdt de wet- en regelgeving zorgvuldig rekening met wat doorsnee minderjarigen aankunnen en wat ze nodig hebben en wat ze mogelijk willen, per leeftijd verschillend, afgestemd op ontwikkeling en levenservaring en belangen en mogelijke risico’s.

Vanaf hun 16de mogen jongeren alle werk doen. De enige bevoogdende beperking die er nog is, moet voorkomen dat jongeren kiezen voor werk dat evident ongezond en gevaarlijk is. En het werk moet qua tijd verenigbaar zijn met naar school gaan. Veel 16+ jongeren die werken, zijn MBO-student. In hun opleiding hebben ze te maken met burgerschapsonderwijs waarin ze niet voor vol aangezien worden. Dankzij de wetgever. Terwijl ze voor dezelfde wetgever op andere domeinen praktisch volwassen zijn.

Recht

Het is eenvoudig recht te trekken. Door de wet- en regelgeving aangaande MBO-burger-schapsonderwijs te verbeteren en in het verlengde daarvan, waar nodig, beleid en praktijk te verbeteren.

Recht doen aan de (bijna)volwassenheid van studenten betekent bescheiden burgerschaps-onderwijs. Bescheiden burgerschapsonderwijs gaat niet verder dan verrijking van kennis en oefening van vaardigheden. Het vertrouwt erop dat studenten, zo toegerust, best voor zichzelf kunnen denken, afwegen en besluiten. En het neemt voor lief dat studenten vaak anders oordelen, waarderen en beslissen dan wij als docenten (of regeerders, politici, opinieleiders, beleidsmakers, bestuurders, methodemakers, ouders, medeburgers) verstandig vinden en goed vinden en behoorlijk vinden. Het onderkent en erkent dat we wel ons best mogen doen om het oordelen, waarderen en beslissen van studenten te verbeteren, maar dat dit alleen mag door verdere verrijking van kennis en oefening van vaardigheden en niet mag door aanleren en inprenten van ónze waarden en normen, dus niet mag door het vormen van gezindheid en gedrag. We dienen de oordeelkundigheid van studenten te verbeteren; we mogen het onderwijs niet aanwenden om hun gezindheid en gedrag naar onze hand te zetten; hoe goed we het ook met ze voorhebben en hoe goed onze verdere bedoelingen ook zijn.

Wet- en regelgeving kan hier scherp op zijn. Vergeleken met wat we hebben vereist dit: snoeien, uitdunnen en aanscherpen.


5 1 vote
Article Rating

Voetnoten

Abonneren
Abonneren op
guest

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

2 Reacties
nieuwste
oudste meest gestemd
Inline Feedbacks
View all comments

About Piet van der Ploeg

Piet van der Ploeg is als docent en onderzoeker verbonden aan de Faculteit Gedrags- & Maatschappijwetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij doet onderzoek naar onderwijsethiek, Daltononderwijs en burgerschapsvorming. Hij doceert History and Philosophy of Education en Ethics of Education.

Category

onderwijs

Tags

, ,