Het Nederlandse voortgezet onderwijs kent twee segmenten. Het ene is beroepsgericht, het andere algemeen vormend. Die tweedeling is voor veel individuele leerlingen nadelig. De selectie op twaalfjarige leeftijd komt te vroeg. Ze hebben dan nog onvoldoende kans gehad om hun eigen mogelijkheden te verkennen en zijn niet in staat om zinnige keuzen voor hun toekomst te maken. De vroege selectie en de tweedeling staan regelmatig en in brede kring ter discussie, maar de kritiek daarop blijft relevant zolang er weinig of niets mee gedaan wordt.

Er is nog een ander argument waarom het beter zou zijn om die achterhaalde tweedeling op te heffen. Dat argument wordt minder vaak gehoord, en het concentreert zich niet op de schoolprestaties van individuele leerlingen. Ik ontleen het aan het prachtige boek van Eric Klinenberg, Palaces for the People. How to Build a More Equal and United Society (2018). Klinenberg is een Amerikaanse stadssocioloog en publieke intellectueel, die beroemd werd met zijn boek Heat Wave (2002), over de hittegolf in Chicago in 1995. Daarin vergeleek hij de sterftecijfers per buurt, en merkte dat tussen buurten met dezelfde demografische profielen, met vergelijkbare armoedecijfers, werkloosheid en gewelddadigheid, grote verschillen in sterfte bestonden.

De verklaring voor deze verschillen liggen volgens hem in de sociale infrastructuur: ‘the physical places and organizations that shape the way people interact’. Of er tussen mensen sociale netwerken, contact en onderlinge samenwerking ontstaan is afhankelijk van het bestaan en de kwaliteit van de sociale infrastructuur van de voorzieningen en arrangementen in de plaatsen waar ze leven.

Palijzen

Het gedrag van mensen wordt in sterke mate gevormd door de sociale en fysieke omgeving waarin ze leven. Dat is een belangrijk inzicht in zijn onderzoek, en zo  opgeschreven denk je: ‘Ja natuurlijk is dat zo, dat is echt niet nieuw.’ Maar de systematische manier waarop Klinenberg ermee aan de slag gaat is dat wel. Het is het kernidee van Palaces for the People. Bij iedere voorziening, gebouw of institutie stelt hij zich de vraag of deze arrangementen al dan niet, meer of minder gelegenheid geven om elkaar te ontmoeten en met elkaar om te gaan. Klinenberg laat overtuigend zien hoe belangrijk interacties zijn en hoe ze in extreme omstandigheden het verschil tussen leven en dood kunnen betekenen. Zijn boek is een plezier om te lezen, het heeft een positieve strekking ook als het over dramatische dingen gaat, en het is aantrekkelijk dat het centrale idee erin zich zo gemakkelijk laat toepassen, ruimtelijk en structureel.

De eerste Carnegie bibliotheek in Carnegies geboorteplaats Dunfermline, Schotland, geopend in 1883.

‘Paleizen voor het volk’, dat is hoe de grootindustrieel Andrew Carnegie bibliotheken noemde. Als kind uit een arbeidersgezin maakt hij er volop gebruik van en zoog hij de cultuur die daar te vinden was in zich op. Eenmaal volwassen, geslaagd en uitzonderlijk rijk wilde hij iets terug doen en hij deed dat door tussen 1883 en 1929 2811 bibliotheken in de hele wereld op te richten, waarvan 1679 in de Verenigde Staten. Hij wilde toekomstige generaties kinderen, die van huis uit weinig cultuur hadden meegekregen, dezelfde kansen geven die hij als kleine jongen had gehad.

Klinenberg ziet bibliotheken als prototypen van voorzieningen met goede sociaal-infrastructurele mogelijkheden. Er gebeurt veel meer dan de uitwisseling van boeken. Bezoekers kunnen er blijven hangen en ze kunnen advies krijgen, ze kunnen in boeken bladeren en hun mail checken, ze kunnen er lotgenoten treffen, koffie drinken en eventueel over boeken praten. Nu boeken steeds meer in de verdrukking komen, zijn bibliotheken op zoek naar nieuwe functies – ze moeten ‘zichzelf opnieuw uitvinden’ zo zeggen ze over zichzelf. Ze stellen computers aan iedereen beschikbaar, ze geven les in computervaardigheden, ze creëren ruimten om te werken, ze lezen kinderen voor en organiseren lessen in de Nederlandse taal.

Klinenberg bespreekt in zijn boek een reeks case-studies. Meestal zijn het goede voorbeelden en laten ze zien hoe projecten in kwaliteit kunnen verbeteren wanneer rekening wordt gehouden met de sociaal-infrastructurele mogelijkheden die ze te bieden hebben. Soms demonstreren de cases hoe het niet moet gaan. De studies die hij bespreekt bestrijken een breed gebied. Sommige gaan over verlaten grondjes in de stad, die van een gevaarlijke plek worden omgetoverd tot toegankelijke parken.

Een andere casus gaat over zogenaamde ‘food deserts’, buurten waar de kruideniers en supermarkten zijn verdwenen, gezonde voeding voor de inwoners onbereikbaar is geworden, en de inwoners met ‘urban farming’ zijn begonnen. Het zijn initiatieven die vergelijkbaar zijn met de moestuin die vrouwen in Amsterdam Zuidoost hebben gemaakt op een door criminaliteit ontoegankelijk geworden terrein. (zie de documentaire ‘De vrouwen van Venserpolder’ van Eva Breedveld). In weer een andere casus gaat het over het onderwijs: over de fysieke ligging van scholen, die ouders al dan niet de gelegenheid geeft om elkaar bij het halen en brengen van hun kinderen te ontmoeten.

Sommige voorbeelden zijn spectaculair, zoals de initiatieven om de klimaatverandering het hoofd te bieden en tegelijkertijd rekening te houden met de sociaal-structurele gevolgen. ‘The water is coming’, zo schrijft Klinenberg, maar ‘with the right kind of social infrastructure, we may well get through it without building an ark’. De voorbeelden die hij geeft zijn steeds combinaties van bescherming tegen de schade door extreme weersomstandigheden én het bevorderen van sociale netwerken en sociale activiteit. Klinenberg beschrijft Rotterdam als een voorloper in de architectuur van aanpassing. Niet door het water tegen te houden, maar door aantrekkelijke fysieke plaatsen te creëren die het water juist binnenlaten. Waterplein Benthemplein, gemaakt door architectenbureau De Urbanisten noemt hij als  sprekend voorbeeld. Het plein is op allerlei manieren bruikbaar gemaakt, met veel aandacht voor de sociale infrastructuur. 

Een ander spectaculair project is het politiebureau van Chicago, waar het politie-apparaat een geschiedenis van gewelddadigheid had en geconfronteerd werd met een groot wantrouwen van de bevolking. Een van de problemen in de buurt was het ontbreken van plekken waar jongeren elkaar konden treffen, onder andere om te basketballen. Het architectenbureau van Jeanne Gang, Gang Studio’s, heeft een plan ontwikkeld om het politiebureau meer functies te geven en er ook een soort buurthuis van te maken, waar politieagenten en jongeren elkaar terloops bij de koffiemachine ontmoeten.

Polarisatie

Wanneer je vanuit het perspectief van Klinenberg naar het Nederlandse onderwijsstelsel kijkt, dan wordt in één oogopslag duidelijk dat de inrichting van het voortgezet onderwijs zeer negatieve infrastructurele gevolgen heeft. Het is een recept voor polarisatie, en stokkende interacties. Kinderen komen door de organisatie van het stelsel op hun twaalfde jaar in gescheiden werelden terecht. Ze sorteren voor in gescheiden trajecten. De polarisatie tijdens het onderwijs is veel groter dan in de beroepenwereld, maar deze heeft ook daarna een blijvende werking. Bijvoorbeeld voor de netwerken waarin mensen later leven. Kringen van schoolvrienden gaan zelden over schoolgrenzen heen, flirtations blijven binnen het schoolplein, en die scheiding blijft na school bestaan. De maatschappelijke polarisatie waar zo velen zich zorgen over maken begint op school. Op basisscholen die qua sociale klasse homogeen zijn, maar vooral op scholen van voortgezet onderwijs. Vanaf de achtste groep komen leerlingen elkaar niet meer van dag tot dag tegen.

VOX klassen Amsterdam-Noord

Gelukkig zijn er wel experimenten met deze sociale infrastructuur. Zoals de Vox-klassen in Amsterdam Noord, die de tweedeling omzeilen door leerlingen met verschillende niveaus, van vmbo-basisonderwijs tot vwo, in dezelfde klassen aan projecten te laten werken. Deze gemengde klassen krijgen veel positieve aandacht in de media, en de samenwerking tussen leerlingen doet denken aan de Montessori-klassen waarin kinderen van verschillende leeftijden met elkaar samenwerken.

De een is goed in rekenen en helpt een vriend die daar meer tijd voor nodig heeft, de andere is goed in andere vakken en kan anderen daarbij helpen. Deze gemengde opzet brengt kinderen voortdurend met elkaar in contact en laat zien dat leerlingen die naar het vmbo gaan alleen gradueel verschillen van kinderen die voor het vwo zijn geselecteerd. Bovendien laten de verschillen die er tussen hen bestaan zich niet op één continuüm afzetten. De gemengde Vox-klassen zijn een groot pleidooi voor meer experimenten met deze mengvormen. Het komt de schoolprestaties van individuele leerlingen ten goede, en het heeft collectieve effecten die veel verder strekken dan de schoolervaringen van deze leerlingen. Het is een medicijn tegen de polarisatie.

Eric Klinenberg (2018). Palaces for the People. How to Build a More Equal and United Society. London: The Bodley Head.

Join the conversation! 2 Comments

  1. ‘… laat zien dat leerlingen die naar het vmbo gaan alleen gradueel verschillen van kinderen die naar het vwo gaan’: een zin om langer bij stil te staan. Onze maatschappij onderscheidt hogere en lagere milieus. Ons schoolsysteem neemt dat onderscheid klakkeloos over. We selecteren kinderen al op 11-jarige leeftijd op grond van graduele verschillen voor een hoger of lager onderwijstraject: we kennen in ons land 8 onderwijstrajecten, van hoog tot laag, van praktijkonderwijs tot gymnasium.

    Reply
  2. Is dit wat Biesta de emancipatie functie? Volgens mij gelukkig niet onzichtbaar, maar helaas ook niet altijd meegenomen. Dat terwijl het wel gevolgen heeft voor de onderwijsdidactiek. Volgens mij heeft de inspectie daar een mooi tabelletje over op hun website. Blijft goed om te benadrukken!

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

About Rineke van Daalen

I am a sociologist, who worked at the Department of Sociology of the University of Amsterdam. My field of interest is broad: children and how they develop by playing, learning and working; the middle classes and their work; changes in the model of home birth in the Netherlands; letters of complaint to government instititutions in relation to the welfare state; informal lunches as a collective arrangement at Dutch primary schools. My theoretical approach is a combination of interaction reserarch and figurational sociology. I work in the tradition of Norbert Elias, Johan Goudsblom, Abram de Swaan, Erving Goffman. My site: rinekevandaalen.nl. For some of my publications see: https://uva.academia.edu/rinekevandaalen

Category

onderwijs

Tags

,