Het Nederlandse onderwijsstelsel is een bouwwerk waaraan de afgelopen honderd jaar steeds een beetje is gesleuteld, maar dat nog steeds negentiende-eeuwse trekken vertoont. Aanpassen blijkt een moeizaam proces. Dat verklaart het treurig stemmende gegeven dat critici nog steeds bij A.D. de Groot’s Vijven en zessen (1966) terecht kunnen. Veel van de problemen die nu in het Nederlandse onderwijs spelen werden door hem al benoemd. Om er een paar te noemen: de vroege selectie, het doorgeschoten streven om kinderen als waren het planten te determineren, de strikte scheiding tussen algemeen vormend en beroepsonderwijs.

Het zijn deze problemen die de oorsprong vormen van ‘de opkomst van de onderwijscompetitie’. Louise Elffers schreef er een boek over: De bijlesgeneratie (2018). De prestatiedruk in het onderwijs begint in Nederland al op de kleuterleeftijd, verhevigt zich vanaf de allereerste jaren van het basisonderwijs, en zet zich voort in het hoger onderwijs. Het Nederlandse onderwijs probeert de wereldwijde onderwijsrace bij te houden, het intensiveert de druk op ouders en leerlingen en het is vrijwel onmogelijk om je daaraan te onttrekken. ‘Welkom in de ratrace’, schreef Ali de Regt in een mooi artikel over de dwang van de Cito-toets (2004).

De alomvattende concurrentiestrijd waarin kinderen sowieso gewikkeld zijn wordt op school verhevigd omdat ze op basis van hun relatieve vaardigheidsniveau over verschillende onderwijstypen worden uitgesorteerd. Schoolprestaties zijn de bench marks voor de kwaliteit van het onderwijs en internationale vergelijking is de standaard. Basisonderwijs en voortgezet onderwijs worden afgerekend op Pisa-, PIRLS- en TIMMS-toets. En in het hoger onderwijs is een voortdurende strijd gaande om hoog te scoren op internationale ranglijsten. De zesjescultuur hebben we volgens Elffers lang en breed achter ons gelaten. Des te meer verbazing wekken de recente conclusies van de Inspectie van het Onderwijs in hun jaarlijkse rapport, De Staat van het Onderwijs 2017 (2018). Het Nederlandse onderwijs zou ‘weinig ambitie’ hebben en dat zou anders moeten. Weinig ambitie? Wie om zich heen kijkt ziet iets anders.

Dat er sprake is van onderwijscompetitie valt moeilijk te ontkennen, en het is de moeite waard om te bekijken welke verschijnselen daaraan ten grondslag liggen. Laten we er een paar van bespreken. Om te beginnen is daar de vroege onderwijsselectie. Die wordt onder andere bekritiseerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), die erop wijst dat landen met sterk gedifferentieerd voortgezet onderwijs, zoals Nederland, Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland, de onderwijsongelijkheid bevorderen, tussen kinderen uit verschillende sociale klassen en tussen etnische groepen. Die structurele onderwijsongelijkheid is de afgelopen tijd alleen maar groter geworden. De brede brugklassen zijn opgeheven, het gymnasium bloeit als nooit tevoren, de doorstromingsmogelijkheden in het onderwijs zijn beperkter dan ze waren. En ook de groei van de bijlesindustrie draagt bij aan het bevorderen van ongelijkheid. Louise Elffers zegt daarover: ‘Als talent wordt aangejaagd door dure bijlessen, zijn merites in feite te koop’.

Een ander probleem is de typisch Nederlandse behoefte om de talenten van kinderen voor eens en altijd te willen bepalen, om ze vast te willen pinnen op ‘wat ze zijn’, en ze op basis daarvan in een hokje te plaatsen. Daarin ligt een verklaring voor het grote belang dat in Nederland aan toetsen als selectiemiddel wordt gehecht. Elffers sluit zich aan bij De Groot, die erop wijst dat toetsen ook anders kunnen worden gebruikt, niet alleen voor selectie en determinatie van niveauverschillen, maar ook voor diagnose en feedback. Dat idee vormt ook het uitgangspunt van het door Dominique Sluijsmans en René Kneyber geredigeerde Toetsrevolutie. Naar een feedbackcultuur in het voortgezet onderwijs (2016). Ook zij pleiten voor een ander gebruik van toetsen. ‘Weg met de cijfers; het is tijd voor een feedbackcultuur met rijke, formatieve toetsing’, zo luidt hun adagium. Zij willen de toetsing in alle andere leeractiviteiten integreren. Hun visie is ook terug te vinden op de site van het Blogcollectief Onderzoek Onderwijs, onder andere in een serie blogs onder de titel Flip the System. In de blog van 2 april 2018 https://onderzoekonderwijs.net/2016/06/26/voorstel-voor-een-nieuwe-aanpak-van-het-eindexamen-vervolg/Naar een nieuwe opzet van de eindexamens beschrijft Dick van der Wateren hoe deze brede visie op toetsen steeds ruimer weerklank vindt.

Bovenstaande kwesties vinden een kristallisatiepunt in de bijles-problematiek. De bijlesgeneratie (2018) gaat dan ook over veel meer dan bijles alleen. De opkomst van de bijlesindustrie is een neveneffect van de steeds heviger onderwijscompetitie. Vroege selectie in combinatie met het toenemende belang van diploma’s, liefst in het hoger onderwijs, maken dat ouders de scholing van hun kind niet langer aan scholen durven over te laten. Ze zoeken hun toevlucht in zelf bijspijkeren, in bijlessen en examentrainingen, en als dat allemaal niet genoeg is zijn daar nog de particuliere onderwijsinstellingen die jongeren kunnen helpen om een zo hoog mogelijk diploma te behalen. Over deze vluchtweg schreven Ali de Regt en Don Weenink in 2003, in Investeren in je kinderen. Over de keuze voor particulier onderwijs in Nederland. Net als De bijlesgeneratie is ook dit boek te lezen als kritiek op het reguliere onderwijs, dat te slordig omgaat met kinderen die het niet meteen goed doen. Daarin, in een combinatie van zorgvuldige aandacht en meer controle ligt de meerwaarde van bijles en particulier onderwijs.

Elffers laat zien dat aan de strategie van ‘schaduwonderwijs’ en particuliere instituten risico’s voor het reguliere onderwijs zijn verbonden. Leraren kunnen bepaalde onderwerpen laten liggen, omdat ze weten dat bijscholingsinstituten daarmee aan de slag gaan; ze kunnen bepaalde leerlingen minder aandacht geven, omdat ze erop rekenen dat die na school op bijles aan de beurt komen. In het ‘schaduwonderwijs’ krijgen jongeren ‘onderwijs op maat’, iets waar leerkrachten in het reguliere onderwijs vaak niet aan toe komen. Wie dat ‘schaduwonderwijs’ wil bestrijden doet er daarom goed aan om in het reguliere onderwijs te investeren.

Misschien is de tijd rijp voor een pas op de plaats, een slow movement in het onderwijs. Laten we Elffers er even bij pakken. Zij zou graag de druk wat van de ketel willen halen en zonder dat ze meteen het hele stelsel wil veranderen eindigt haar boek met suggesties voor verbetering. Zij keert zich tegen selectie in het funderende onderwijs, omdat de talenten en ambities van kinderen daardoor onvoldoende tot hun recht komen. Ze vindt dat niet het relatieve maar het absolute prestatieniveau de leerroute van leerlingen zou moeten bepalen. Zij bepleit een flexibilisering van het onderwijs, met meer keuzemogelijkheden, zodat kinderen meer ruimte krijgen om een eigen vakkenpakket samen te stellen. Zo kunnen ze wezensvreemde scheiding tussen theorie en praktijk overstijgen, en kunnen ze verschillende vakken op verschillende niveaus afronden. Meer ruimte geeft leerlingen meer regie over hun eigen schoolloopbaan, en dat is een belangrijke factor in hun motivatie. Elffers’ lijst met suggesties is niet uitputtend. Er zijn veel meer aanbevelingen in omloop – van brede brugklassen tot werkdrukvermindering, betere salariëring, betere kwalificaties, en nog veel meer.

Het onderwijs wordt verlamd door de spanning tussen weerzin tegen onderwijsvernieuwingen van bovenaf én een groot verlangen naar verandering. Critici van het onderwijs vormen inmiddels een aanzwellend koor, maar iedere criticus brengt eigen punten van kritiek in, ieder wijst naar andere problemen, geeft andere verklaringen, wijst andere schuldigen aan, en komt met andere oplossingen. Om aan deze complexiteit recht te doen zijn op allerlei gebieden en niveaus experimenten nodig, die goed geëvalueerd moeten worden zodat ook anderen daarmee eventueel aan de slag kunnen. Alleen op die manier is het mogelijk om een balans te vinden tussen verandering en behoud. Experience-based vernieuwing, met goede evaluaties – daarover zou het moeten gaan.

Elffers, Louise 2018, De bijlesgeneratie. Opkomst van de onderwijscompetitie. Amsterdam: University Press

Groot, A.D. 1966, Vijven en zessen. Cijfers en beslissingen: het selectieproces in ons onderwijs. Groningen: Wolters-Noordhoff.

Inspectie van het Onderwijs 2018, De Staat van het Onderwijs, Onderwijsverslag over 2016/2017.

Regt, Ali de & Don Weenink 2003, Investeren in je kinderen. Over de keuze voor particulier onderwijs in Nederland. Amsterdam: Boom.

Sluijsmans, Dominique & René Kneyber (red.) 2016, Toetsrevolutie. Naar een feedbackcultuur in het voortgezet onderwijs. Culemborg: Phronese.

Join the conversation! 2 Comments

  1. Rineke,

    Prima verhaal! Ik ben nogal in het denken van AD de Groot geïnteresseerd en daardoor vroeg ik me af of de drie punten die je in het begin weergeeft van De Groot of je die uit je ‘blote hoofd’ hebt opgeschreven of dat je zijn werk geraadpleegd hebt. Ze komen me alle drie niet echt als ‘De Groot’s’ voor. Los van zijn probleemstelling – die ik overigens tamelijk adequaat vond – was zijn oplossing ‘toetsen’ – dan zou alles op zijn plaats vallen. Daar heeft hij zich in elk geval in vergist!
    Ferdinand Mertens

    Reply
  2. Beste Ferdinand,
    Ik heb het nu uit het blote hoofd opgeschreven, maar ik heb het niet verzonnen. Voor Het vmbo als stigma heb ik Vijven en zessen uitgepluisd, en heb me toen verbaasd over het verschil tussen De Groot’s ideeën en de doorgeschoten toetscultuur waaronder kinderen tegenwoordig hebben te lijden. De Groot is de vader van de Cito, maar hij zou zich in zijn graf hebben omgedraaid als hij gezien had wat ervan geworden is.
    Rineke van Daalen

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

About Rineke van Daalen

I am a sociologist, who worked at the Department of Sociology of the University of Amsterdam. My field of interest is broad: children and how they develop by playing, learning and working; the middle classes and their work; changes in the model of home birth in the Netherlands; letters of complaint to government instititutions in relation to the welfare state; informal lunches as a collective arrangement at Dutch primary schools. My theoretical approach is a combination of interaction reserarch and figurational sociology. I work in the tradition of Norbert Elias, Johan Goudsblom, Abram de Swaan, Erving Goffman. My site: rinekevandaalen.nl. For some of my publications see: https://uva.academia.edu/rinekevandaalen

Category

onderzoek