Rineke van Daalen

Onderwijs heeft iets onbewegelijks. Veel problemen worden wel aangepakt, maar niet echt opgelost. Ze blijven hangen en dilemma’s blijven bestaan. Problemen veranderen, in relatie tot de samenleving, tot leerlingen, docenten, ouders en andere betrokkenen. Het onderwijs past zich aan, maar vaak halfslachtig en niet van harte. Het is een ingewikkeld stelsel, met veel verschillende partijen, ieder met een eigen geschiedenis en eigen belangen en met de neiging oude sporen te volgen. Dat maakt dat de problemen zich blijven herhalen, net als de oplossingen die de betrokkenen verzinnen. Bij mij is het terugkerende refrein: ‘Hoezo praktische en theoretische kinderen?’, ‘Zet het beroepsonderwijs niet apart’, ‘Nee, je lost de kloof tussen algemeen vormend en beroepsgericht onderwijs niet op door hoog- en laagopgeleid te vervangen door theoretisch en praktisch’, etcetera etcetera. Steeds schrijf ik varianten op een thema, iedere keer dat ik ergens aan blijf haken.

Van die herhalingen werd ik me extra bewust bij lezing van wat oudere publicaties, van Max Goote en Ferdinand Mertens, mensen die eerder bij het beroepsonderwijs waren betrokken dan ik. Max Goote werd vlak na de Tweede Wereldoorlog hoofd van de afdeling nijverheidsonderwijs op het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. En tussen 1955 en 1966 was hij inspecteur-generaal van het onderwijs, een functie die Ferdinand Mertens tussen 1997 en 2001 vervulde. Mertens is een bewonderaar van Goote. Hij borduurt voort op diens ideeën over beroepsonderwijs, en vindt die nog steeds de moeite waard.

Dat zijn ze inderdaad. Om een paar kwesties te noemen: Beperk het onderwijs aan jonge mensen niet tot scholing voor een beroep, maar maak het breder, meer algemeen vormend, meer een voorbereiding op deelname aan het maatschappelijk leven. School is slechts een fase in hun ontwikkeling. Neem niet de arbeidsmarkt van nu als uitgangspunt, maar redeneer vanuit de toekomst. Laat het bedrijfsleven niet de drijvende kracht in het onderwijs zijn, maar laat docenten zelf nadenken over vernieuwing op school en zorg dat leerlingen daardoor – in de woorden van Mertens – ‘een strategisch generatie-voordeel’ verwerven. Houd er rekening mee dat aan toekomstige werknemers hoge eisen op het gebied van persoonlijkheidsvorming én hoogwaardig technisch inzicht gesteld worden. In geen enkel hedendaags beroep is alleen van praktisch handelen meer sprake. De uitoefening van de meeste beroepen is daarvoor te zeer verwetenschappelijkt. Wanneer het je moeite kost om leerlingen te werven, verdiep je dan in de vraag waar hun belangstelling wél ligt en wat je daarvan kunt leren. Maak de inhoud van een opleiding interessant en zorg voor keuzemogelijkheden.

Het zijn ideeën die nog steeds het vermelden waard zijn, en ze maken mijn stukjes een herhaling van zetten. Het gaat om kwesties die blijven spelen, waar mensen zich nog steeds het hoofd over breken. Het onderwijs is een solide, weinig beweeglijk stelsel. Maar ineens is daar het advies van de Onderwijsraad aan het kabinet: schaf de citotoets af, introduceer een driejarige brugperiode, selecteer later, differentieer meer. Ook dat zijn geen nieuwe ideeën, maar de geschiedenis leert ons dat de weerstand daartegen groot is, en toen ik de plannen hoorde was ik bang voor de reacties. Hoe breng je zo een enorme ingreep, een echte stelselwijziging, tot stand? Op de radio, bij Dit is de Dag (15/4/2021), liet de Amsterdamse PvdA-wethouder Marjolein Moorman zich niet uit het veld slaan. Zij was vol overtuiging enthousiast, en zag in het advies een mogelijkheid om de ongelijkheid op school terug te dringen. Maar haar gesprekspartner, de economie-docent, lerarenopleider en columnist Ton van Haperen, had een andere toon. Hij vond het een ‘raar idee’. Inderdaad, kansenongelijkheid wordt groter, maar dat komt volgens hem omdat het onderwijs door een ‘kwalitatief lerarentekort’ steeds slechter wordt. Daardoor gaat de invloed van thuis zwaarder tellen. Van Haperen noemt nog een probleem van een driejarige brugperiode: je maakt lesgeven moeilijker door klassen heterogener te maken. Het resultaat is dat kinderen nog minder zullen leren dan nu het geval is. In deze context vindt Van Haperen het plan volstrekt kansloos.

In de week van 14 april kwam ook De Staat van het Onderwijs 2021 uit, het jaarlijkse rapport van de Onderwijsinspectie. Alarmerend en somber van toon, maar door de coronaschade wel veranderingsgezind. Corona heeft sluimerende problemen in het onderwijs duidelijker naar voren gehaald en heeft deze verscherpt. De Onderwijsinspectie noemt teruglopende basisvaardigheden en een vergroting van kansenongelijkheid als kwesties die nu moeten worden aangepakt en daarbij is het motto: ‘Maak van de reparatie een renovatie’. De coronapandemie heeft een hang naar verandering teweeggebracht, die wordt gestimuleerd door de 8,5 miljard euro die de regering beschikbaar heeft gesteld om de coronaschade in het onderwijs te bestrijden.

Die verandering valt niet te verwachten van vermoeide mensen die alles in het onderwijs al hebben meegemaakt. Om iets in beweging te krijgen heb je enthousiasme nodig, op scholen, bij docenten, onderwijsbestuurders, en natuurlijk bij de kinderen en hun ouders. Laat hen experimenteren, zoals Marjolein Moorman dat in Amsterdam probeert te doen. Moorman geeft scholen een Brede Scholen Bonus, wanneer ze een langere brugperiode van hoge kwaliteit organiseren, liefst met een nieuwe gedifferentieerde opzet. Laat scholen met goede plannen komen, geef ze geld genoeg om die plannen te realiseren, en laat ze aantonen wat hun experimenten opleveren. Exerceer om de cynici heen, kijk waar het schip strandt, en probeer vooruit te komen. Op die manier creëer je succeservaringen, en dat is precies wat het onderwijs volgens Ton van Haperen nodig heeft.

F.J.H. Mertens 2000, Meer van hetzelfde? Over de beweging van het onderwijs. Utrecht: LEMMA.

F. van Rooij, F.J.H.Mertens, A.M.L.van Wieringen 2000, Max Goote. Onderwijs, wederopbouw en vernieuwing in de periode 1946-1966. Amsterdam: Max Goote, Kenniscentrum voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

Onderwijsraad 2021, Later selecteren, beter differentiëren. Den Haag: Onderwijsraad.

3.8 4 votes
Article Rating
Abonneren
Abonneren op
guest

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

2 Reacties
nieuwste
oudste meest gestemd
Inline Feedbacks
View all comments

About Rineke van Daalen

I am a sociologist, who worked at the Department of Sociology of the University of Amsterdam. My field of interest is broad: children and how they develop by playing, learning and working; the middle classes and their work; changes in the model of home birth in the Netherlands; letters of complaint to government instititutions in relation to the welfare state; informal lunches as a collective arrangement at Dutch primary schools. My theoretical approach is a combination of interaction reserarch and figurational sociology. I work in the tradition of Norbert Elias, Johan Goudsblom, Abram de Swaan, Erving Goffman. My site: rinekevandaalen.nl. For some of my publications see: https://uva.academia.edu/rinekevandaalen

Latest Posts By Rineke van Daalen

Category

onderwijs

Tags

,