Over het woordje ‘pedagoog’ en de bijhorende tak van de wetenschap de pedagogiek, wil ik het even uitgebreider hebben op deze pinkstermaandag. De voorbije maanden heb ik namelijk uitgebreid nagedacht over mijn persoonlijke visie op pedagogiek. Deels omdat ik hoopte dat ik deze nodig zou hebben, deels omdat ik de voorbije tijd een beetje te vaak met discussies en situaties geconfronteerd ben waarbij ik dacht: hier ontbreekt iets.

Het is misschien een banaal beeld, maar voor mij is pedagogiek een stoel met minstens vier poten, ik bespreek de vier pijlers een voor een.

De eerste ‘poot‘ is een ruime kennisbasis. Deze eerste poot zou gemakkelijke opgesplitst kunnen worden. Het gaat voor mij zowel over de geschiedenis van de pedagogiek, de verschillende fundamentele stromingen, als je comparatief wil vergelijken, de kennis van onderwijssystemen, maar ook over inzichten uit ontwikkelingspsychologie, (cognitieve) leertheorie, economie en zelfs demografie. Pedagogiek heeft het in zich om naar het totale plaatje te proberen kijken. Als je nadenkt over opvoeding, komt de vraag: opvoeden tot wat. Als je nadenkt over curricula, komen gelijkaardige vragen. Het historisch pedagogische is voor mij persoonlijk een belangrijke deel, omdat het warm water opnieuw uitvinden (voor de Nederlandse lezers het wiel opnieuw uitvinden) soms een te grote hobby lijkt in onderwijs.

De tweede ‘poot‘ is kwantitatief onderzoek. Dit zal wellicht als een vloek klinken in sommige kerken en we hebben de voorbije jaren regelmatig terechte kritiek van oa Biesta op het ‘meten is weten’ adagium gezien, maar als wetenschap is het nodig om wel degelijk dingen te kunnen meten met besef van alle beperkingen die er bijhoren. Het is evenzeer belangrijk voor de eerste poot, dat je kwantitatief onderzoek moet kunnen lezen en de kwaliteit er van moet kunnen inschatten. Dit alles niet in het minst omdat de pedagogiek ook vaak concrete zaken voorstelt, en dat het dan onverantwoordelijk zou zijn, mijns inziens, om niet minstens ook kwantitatief de impact te bekijken. Te vaak hoor ik dat een bepaald effect niet meetbaar zou zijn, soms een excuus om het niet eens te proberen?

De derde ‘poot‘ is kwalitatief onderzoek. Persoonlijk vind ik dat kwalitatief en kwantitatief onderzoek twee kanten zijn van een zelfde munt. Ik merkte bij deze denkoefening dat in alle projecten die ik gedaan heb, beide steeds voorkwamen. Voor begrip en begripsverruiming is kwalitatief onderzoek nodig, voor het herkennen van interactie, idem. Het is dus cruciaal dat een pedagoog aan de slag moet kunnen gaan met diepte-interviews, focusgesprekken, observaties, en de vele andere tools die kwalitatief onderzoek ons vandaag kan bieden. Het voorbije jaar las ik op sociale media af en toe opmerkingen dat deze tak van onderzoek vaak in het verdomhoekje zit, maar ik denk dat men dan niet goed kijkt. Zelf merk ik dat er zeer, veel mooi dergelijk onderzoek gebeurt. Inzichten die dan vaak tot kwantitatief onderzoek leiden, waarbij er resultaten kunnen gevonden worden die nieuw kwalitatief onderzoek vragen om die resultaten te duiden.

De vierde ‘poot‘ is er eentje waarvoor ik mijn collega’s Jan Masschelein en Maarten Simons uit Leuven zeer bewonder. Het is ‘doordenken‘. Het is een lange traditie in de pedagogiek om ideeën en bewegingen van alle kanten te bekijken en na te denken over wat er nu eigenlijk gezegd wordt, wat de consequenties kunnen zijn en of we dat allemaal al dan niet willen. Lees hun werk over gepersonaliseerd onderwijs en je krijgt een mooi beeld over wat ‘doordenken’ kan betekenen. Het is iets waar ik me zelf nog verder in wil bekwamen. Het mag ook duidelijk zijn, dat de vorige 3 poten cruciaal zijn voor deze vierde, omdat je anders niet aan het geïnformeerd doordenken bent, maar eerder aan het fantaseren. Het is ook waarom ik ideologie niet noodzakelijk fout vind in onderwijs, ten minste als je genoeg hebt doorgedacht. Dit wil dan zeggen dat je weet wat je ideologie is en de sporen in je keuzes kan herkennen en benoemen. Het is het verschil tussen bewust en blind.

Het beeld van deze vier poten van een stoel, is ook mijn manier om een polariserend veld te pogen te verzoenen. De voorbije jaren zag ik, zeker in Nederland, een stijgende polarisering waarbij een ‘harde’ (cognitieve) onderwijswetenschap’ kwam te staan tegenover een meer filosofische benadering van pedagogiek. Beide zijn nodig en de ironie is dat als je bijvoorbeeld Hattie naast Biesta legt, de overeenkomsten vaak groter zijn dan de verschillen. Het inzoomen op verschillen kan belangrijk en goed zijn voor discussies, maar de gelijkenissen evenzeer.

P.S.: In een eerste versie van deze tekst had ik ook een paar voorbeelden opgenomen van boeken of situaties waarin het fout liep of loopt omdat men te eenzijdig focuste op een van de vier poten. Ik heb deze bewust weggehaald omdat dit op zijn beurt tot polarisering zou kunnen leiden en enkel in de tekst namen opgenomen van onderzoekers die ik oprecht bewonder en van wie ik de voorbije jaren heel veel heb geleerd. Vele andere namen zou ik er nog hebben kunnen aan toevoegen, maar dan zou het al snel een rondje namedropping geworden zijn.

Join the conversation! 2 Comments

  1. Ik vind de metafoor van de stoel met vier poten een mooie metafoor. Inderdaad de pedagogiek is nogal een hybride wetenschap, als het al een (met al die poten) een wetenschap is. Ik kan me goed vinden in de vier poten (ook ik zie de waarde in van kwantitatief onderzoek; ik zou bij het kwalitatief onderzoek nadrukkelijk ook de klassieke geesteswetenschappelijke methoden van de fenomenologie en hermeneutiek eraan toe willen voegen), maar mis een zeer essentiële poot: die van de opvoedingsfilosofie. Opvoeding en onderwijs impliceren altijd een mens- en wereldontwerp. Daar zul je over na moeten denken. En dat vergt een filosofisch instrumentarium. Maar wellicht hoort de filosofie bij de eerste poot. Daar is wel wat voor te zeggen.
    De Franse pedagoog Philippe Meirieu noemt de pedagogiek een doctrine met drie verschillende ‘poten’: die van de waarden (axiologie), die van de kennis (epistemisch) en die van de praktijk (praxiologie). Want dat vergeten we vaak: de praktijk zelf (instituten, methoden, aanpakken en gereedschappen) ‘vormt’ ook de opvoeding en het onderwijs.

    Wat Hattie en Biesta betreft, het is interessant de interviews met hen in in Theory and Philosophy in Education Research (John Quay, et al. (Eds)) te lezen. Ze staan inderdaad dichter bij elkaar dan men vaak denkt. Ook Hattie zegt dat je wetenschappelijke bevindingen niet zo maar kunt toepassen. Je hebt om onderwijs te geven een veel breder verhaal nodig dat inspireert, maar ook richting geeft. Noem dat verhaal een doctrine.

    Het is inderdaad ernstig gesteld met de pedagogische wetenschappen in Nederland. Ze leiden pedagogen op die noch de geschiedenis van hun vak kennen, noch in staat zijn de impliciete mens- en wereldontwerpen te achterhalen, noch wetenschappelijke bevindingen – vanuit meer dan alleen ‘wetenschappelijke’ criteria – kritisch tegen het licht te houden. Ze leiden bureaucraten op die procedures volgen, ook het wetenschappelijk bedrijf is een bureaucratische onderneming geworden.

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Category

pedagogiek