Archief

Auteursarchief:

Door Pedro De Bruyckere

Ik ben momenteel het nieuwe boek van Wilna Meijer aan het lezen, Onderwijs Weer Weten Waarom. Het werd mij en de rest van het publiek maandagavond aangeraden door prof. Marc Spoelders tijdens een debat aan de Ugent met onder andere Vlaams minister Pascal Smet in het panel. De minister oefende tijdens het debat al een deel van de argumentatie in die hij gisteren zou gebruiken tegenover de studenten die protesteerden voor meer investeringen in het hoger onderwijs.

Het was tijdens het debat iets waar weinig acht werd op geslagen, maar de minister gaf aan dat hij verwachtte dat binnen de 10-15 jaar aula’s zoals de ruimte waar het debat doorging, niet meer zouden bestaan. Hij wou nog iets over MOOC’s zeggen, maar dit werd niet opgepikt. In De Standaard maakt hij gisteren zijn punt:

“De minister wil niet meer inzetten op grote aula’s, waar de studenten wel om vragen. ‘Surf naar Google en tik eens MITx of Harvardx in. Dat is volgens mij de toekomst en daarvoor heb je geen peperdure aula’s nodig die je binnen 10 jaar weer moet beginnen renoveren.’” (De Standaard)

Toepassingen als MOOC’s zorgen er voor dat je overal kan leren. Momenteel zijn het nog vaak eerder promotiemachines voor de universiteiten die ze (vaak kosteloos) aanbieden of een manier om talent te ontdekken die anders zich nooit aan Harvard of MIT zou inschrijven , maar ze lijken een grote democratiserende kracht te hebben. Iedereen met toegang tot het net, waar ook ter wereld, kan zo les volgen aan een van de topuniversiteiten. Op mijn Engelstalige blog volg ik al een tijdje de verschillende commentaren op het fenomeen, waarbij twee van de kernproblemen die vaak terugkomen zijn:

  • de enorme uitval, veel studenten beginnen, maar slechts een fractie rondt de cursus af. Sommigen opperen dat geen probleem is, want iedereen leert, maar dan hebben we een heel andere visie op onderwijs nodig.
  • het nog steeds ontbreken van een businessmodel dat MOOC’s draaiende kan houden

Nu, onderwijs heeft al lang geen alleenrecht op leren. We leren overal en altijd, dat is niet nieuw, maar ook qua expliciet leren is de school al lang geen alleenheerser meer. Naast de ontelbare cursussen die verenigingen en organisaties aanbieden, zorgde de technologie er voor dat ik via YouTube wiskunde kan bijspijkeren (zie de verschillende academies), die moeilijke gitaarsolo stap voor stap uitgelegd krijg, enzovoort. Deze laatste zijn een basis voor het idee van de flipped classroom, waarbij leerlingen thuis de uitleg op video bekijken, maar op school oefeningen maken onder begeleiding. Hier is er nog steeds een belangrijke rol voor de fysieke school en de leerkracht. Salman Khan stelt ook duidelijk dat je niet alles via deze weg kan leren, en wil via de flipped classroom vooral tijd vrijmaken voor de leerkracht om net andere dingen te doen met zijn leerlingen zoals discussies, experimenteren, enzovoort.

Bij de MOOC’s gebeurt de begeleiding ook online en sommige kondigen al de dood aan van verschillende universiteiten. De ironie is dat men dan verschillende functies van deze instellingen zoals bijvoorbeeld onderzoek vergeet.

MOOC’s hebben een democratiseringspotentieel dat veel verder gaat dan de landsgrenzen, maar tegelijk bestaat het gevaar dat 2 andere zaken hierdoor meer en meer als een luxeproduct zullen beschouwd worden: contact en onderwezen worden.

Beroepspessimist Andrew Keene wees me vorig jaar in Brussel op het eerste. Hij vreest een scenario waarbij het grote publiek inferieure online cursussen zal aangeboden krijgen terwijl enkel de elite het dure contactonderwijs zal kunnen betalen. Het is een visie duidelijk geënt op de Britse situatie, maar ik volg zeker het tweede deel van zijn vrees. Er zit vaak een zeer oude visie op onderwijs verscholen in online cursussen: eerst een slimmerik die iets uitlegt, daarna inoefenen en een beetje discussie (waarbij de massa lurkt). Maar de nog oudere visie op onderwijs, mensen inleiden in nieuwe werelden en door interactie tot nieuwe inzichten komen, zie ik er zelf veel te weinig.

Het gaat dan over wat Meijer noemt onderwijs als ‘deuren openen’, zelf denk ik dan door begeestering en passie die je pas voelt als je in de zelfde kamer bent als de gepassioneerde leraar, dat is dan wat Meijer onderwijzen noemt.

Ik schreef het met Bert al eerder in De Jeugd Is Tegenwoordig, het unieke van onderwijs is dat het een ontmoetingsplaats is waarbij leerlingen en leerkrachten elkaar ontmoeten om samen bij te leren. Hopelijk wordt dat geen luxe.

Door Pedro De Bruyckere

Dick vroeg me om de lezing die ik onlangs gaf rond een mogelijke structuur voor de lerarenopleiding op papier te zetten. Wat ik bij deze graag doe.

Zowel in Vlaanderen als in Nederland lopen er discussies over de optimale lerarenopleiding. Ideeën als allemaal masters of selectie aan de deur, vaak ingegeven door FInland, passeren hierbij de revue. Zelf heb ik in mei vorig jaar, op basis van een lezing van professor Roger Standaert ook nagedacht over een mogelijk alternatief.

Graag zet ik eerst enkele uitgangspunten op een rij om dan mijn (droom)oplossing naar voor te schuiven. Hierbij geldt er wel een belangrijke disclaimer: dit is geen groot overlegde oplossing met vele partijen, wel een idee van een enkeling die bij verschillende andere leentjebuur speelde om tot een eigen mix te komen.

Uitgangspunten:

  • zomaar vermasteren is niet noodzakelijk een garantie op succes. Ja, goedpresterende landen als Finland en Zuid-Korea hebben enkel Masters, maar zoals Roger Standaert al aangeeft in zijn lezing kan master in verschillende landen iets verschillends betekenen en is dit niet noodzakelijk een garantie op succes. Vaak gaat vermastering ook gepaard met een centralisatietendens in onderwijs.
  • selectie aan de deur lijkt een goed idee, ook om het vertrouwen in het onderwijs te verbeteren of te versterken, maar al snel bots je op uitdagingen. Waar ga je op meten? Basiskennis, maar welke basiskennis? Groeipotentieel? Hoe de would-be leerkrachten omgaan met kinderen? Nog een belangrijker probleem is dat op dit moment al de diversiteit in het lerarenkorps vaak zeer beperkt is, de invloed van selectie aan de deur kan hier ook een negatieve invloed op hebben.
  • we zitten nu al met een lerarentekort. Meer mensen laten instromen en/of de lat lager leggen is sowieso een slecht idee omdat dit het aanzien van onderwijs helemaal de dieperik kan helpen, maar tegelijk hebben we niet de luxe om zomaar een jaar geen afstuderende leerkrachten te hebben, noch in Vlaanderen, noch in Nederland.
  • Het is een probleem dat het aantal studenten die voor een beroep in het onderwijs kiest al daalt, maar nog erger is dat we veel beginnende leerkrachten al heel snel kwijt zijn. Een degelijk retentiebeleid is dus cruciaal. Ik leun even graag op het gegeven van Fuller en Brown uit 1975 die aangeeft dat beginnende docenten vooral bezig zijn met overleven, pas na een tijdje ervaren ze de druk van het curriculum. Eenmaal ze deze twee ‘concerns’ te boven zijn gekomen, komt er de aandacht voor de leerling en herinneren ze zich stilaan wat ze allemaal aan didactiek en pedagogiek hebben meegekregen in hun opleiding. Tenminste als ze niet afgehaakt zijn.
  • UIt Ests onderzoek van vorig jaar blijkt dat leerkrachten pas gaandeweg in het proces van echt leerkracht worden, beseffen dan een goede lesgever niet een toponderzoeker moet zijn, maar vooral pedagogische en onderwijskundige expertise moet hebben om de inhouden te vertalen naar een leersituatie.
  • Professionalisering en vakgroepwerking zijn een van de belangrijkste motoren van leren volgens Hattie (2009)

Zo kwam ik bij een 3-3-2 model dat er als volgt uitziet:

  • de eerste drie jaar volgt een student les aan een hogeschool waarbij er een basis aangereikt wordt qua ondersteunende vakken, er aan de vakkennis gewerkt wordt en er genoeg praktijkervaring opgedaan wordt.
  • daarna volgen drie jaar werken in het onderwijs met een degelijke aanvangsbegeleiding waarbij scholen en hogescholen samenwerken om de nieuwe leerkracht bij zijn eerste concern met raad en daad bij te staan. Hierbij is het belangrijk dat de job van de beginnende leerkracht genoeg zekerheid biedt, zo weinig mogelijk versnippering en niet onmenselijk zwaar is zoals nu vaak het geval is.
  • na deze 3 jaar kan de leerkracht vrijwillig er voor kiezen om gespreid over twee jaar een eenjarige master te volgen waarbij bijvoorbeeld op een vaste dag en 1 avond lessen en contactmomenten worden ingericht, maar de leerkracht verder gewoon lesgeeft. In deze master komen vooral die elementen aan bod waar ze pas nu aan toegekomen zijn, namelijk (vak)didactische en pedagogische expertise, eventueel aangevuld met keuzevakken die aansluiten bij zijn of haar vakgebied.

Wat zijn de voordelen in zo een benadering?

  • de juiste inhouden komen op het juiste moment
  • het is niet blind vermasteren, en goedkoper dan iedereen direct vermasteren,
  • je kan het ook openstellen voor het huidige lerarenkorps waardoor je een enorme professionaliseringsgolf krijgt,
  • er is een grote wisselwerking tussen opleiding, praktijk maar ook onderzoek
  • er is sprake van sociale promotie
  • er is geen gat in het afstuderen van de leerkrachten.

Wat zijn de nadelen?

  • het kost geld (maar minder dan een algemene vermastering)
  • wat doen we met zij-instromers (ik vind zelf dat ze op zijn minst ook recht hebben op de aanvangsbegeleiding)

Referenties:

  • Haamer, A., Lepp, L., & Reva, E. (2012). The dynamics of professional identity of university teachers. Studies for the Learning Society, 2012, 110-120. doi: DOI 10.2478/v10240-012-0010-5
  • Hattie, J. (2009). Visible learning: A synthesis of over 800 meta-analyses relating to achievement. London: Routledge.
  • Fuller, F., & Brown, O. (1975). Becoming a teacher. In K.Ryan (Ed.), Teacher education:
    Seventy-fourth yearbook of the National Society for the Study of Education. Chicago:
    University of Chicago Press.

Als je over onderwijs denkt, schrijft en spreekt, ontdek je al snel dat je je maar beter bekwaamt als evenwichtskunstenaar. Pleiten voor verandering kan namelijk al snel gepercipieerd worden als kritiek, soms nog meer door de buitenwereld dan door onderwijsmensen zelf. Als je stelt dat bijvoorbeeld de lerarenopleiding kan aangepast worden, dan krijg je onmiddellijk de vraag of deze dan nu slecht is. Dit is in feite een verkeerde vraag. Als er een nieuw type wagen wordt ingevoerd, is dat dan omdat het vorige model slecht was? Meestal niet, maar nieuwe inzichten, of in het geval van de wagen, nieuwe (liefst bewezen) technieken worden toegevoegd aan iets dat al deugdelijk was. De vorige auto was dus niet perfect, maar het nieuwe model zal dat ook niet zijn.

Het lijkt misschien voor de hand liggend, maar als je kijkt hoe sommigen spreken over onderwijs, dan lijken ze er vanuit gaan dat onderwijs per definitie slecht is. Dit kan komen omdat enkelen minder goed zijn in de evenwichtsoefening, sommige zullen dit echter bewust doen omdat ze willen provoceren en nog andere doen dit bewust omdat ze het echt menen.

In Vlaanderen is het nog relatief rustig, maar als je bijvoorbeeld kijkt in Nederland, de UK of de VS dan wordt het verhaal al heel anders. Zo wordt het (publiek) onderwijs in de VS constant beschimpt en aangevallen. Jelmer Evers wees me er onlangs op dat (Amerikaanse) hervormers trouwens toch liefst hun kinderen naar dure privéscholen sturen zelfs als ze hun plannen doorvoeren.

Het grootste slachtoffer van dergelijke aanvallen zijn waarschijnlijk vooral de leerlingen, maar zeker ook de leerkrachten. Het vertrouwen in onderwijs en leerkrachten staat in verschillende landen onder druk en je zou je bijna cynisch kunnen afvragen of er eerst rampen moeten gebeuren vooraleer het publiek beseft dat leerkrachten vaak fantastisch werk leveren (check deze brief en deze blogpost). Hoe kan je verwachten dat mensen voor de job van leerkracht kiezen als er op de job ingehakt wordt?

Idem met de discussies rond MBO (in Nederland) of BSO (in Vlaanderen). Hoe kan je verwachten dat leerlingen en ouders bewust positief voor beroepsonderwijs kiezen, als dit onderwijsniveau constant als een probleem wordt voorgesteld? Pleiten voor veranderen kan enkel maar effectief zijn als je het goede in het bestaande ook belicht. Als ik kijk in het secundair onderwijs dan merk ik bijvoorbeeld dat de meest effectieve voorbeelden van onderwijsvernieuwing vaak gebeurd zijn in het beroeps en technisch onderwijs.

Zijn er dan geen problemen of uitdagingen? Zeer zeker zijn die er wel. In Vlaanderen is bijvoorbeeld iedereen het er over eens dat de sociale ongelijkheid in onderwijs moet aangepakt worden. Wel zie ik een duidelijke verschuiving weg van de idee dat de kloof tussen goed en slecht presteren het probleem is, maar de link tussen de kloof en de sociale achtergrond van leerlingen. Deze verschuiving komt er ook door de waarschuwing die zowel uit het recente Pisa-onderzoek als het TIMS-onderzoek blijkt dat onze topleerlingen slechter zijn gaan presteren. Zo de kloof dichten kan niet de bedoeling zijn en is niet de bedoeling.

We weten dat de professionalisering van leerkrachten een van de grootste positieve effecten heeft op onderwijs. Maar hiervoor pleiten betekent niet dat leerkrachten vandaag geen professionals zouden zijn. Wel is het een pleidooi om op professionalisering in te zetten en er vaak letterlijk tijd en ruimte voor te maken.

Het is een fout idee te denken dat onderwijs niet verandert, al is het soms trager dan sommigen wensen. Het is even fout te denken dat het vroeger beter was, net zoals het fout is te denken dat het vroeger per definitie slecht was. De wereld draait en evolueert, onderwijs moet dit ook doen en doet dit ook en kan daarin alle steun gebruiken, maar liefst evenwichtig.

Pedro De Bruyckere

Dick vroeg me of ik geen blogpost wilde schrijven over huiswerk. Wat hier volgt is een update van en op een oudere blogpost die ik over het onderwerp schreef uit 2011.

Hollande wil in Frankrijk huiswerk verbieden, nog in Frankrijk was er een tijdje de website faismesdevoirs.com waar leerlingen tegen betaling hun huiswerk konden laten maken. ”Lukt het je niet? Wij zijn er om je te helpen”, was op de homepage te lezen. De discussie zou echter niet over voor of tegen moeten gaan, maar wel over welk soort huiswerk al dan niet waar nuttig kan zijn.

Een nieuwe studie van Adam Maltese en collega’s aan de universiteit van Indiana geeft aan dat huiswerk vaak zinloos is omdat leerlingen die thuis hard werken het uiteindelijk niet echt beter doen dan leerlingen die er niet echt veel tijd in steken. Vorig jaar bleek uit een onderzoek van de KULeuven hoe het beter zou zijn om in het Brussels onderwijs huiswerk af te schaffen. Dit zou een positief effect hebben op de gelijke kansen, vooral omdat bepaalde jongeren te weinig hulp (kunnen) krijgen van hun ouders. In het zelfde onderzoek blijkt het opleidingsniveau van de moeder namelijk bepalend te zijn voor het slagen op school. Dit leidt tot de nodige reacties waarvan ik nog steeds schrik hoe verzuurd/racistisch deze kunnen zijn (check hier)

Laten we het leereffect van huiswerk even van dichterbij bekijken. Volgens Hattie’s meta-meta-onderzoek heeft huiswerk een positief effect, maar is het resultaat relatief klein (.43, als je weet dat een effect pas echt relevant is van .40). De invloed van de thuissituatie is al veel langer een bekend gegeven, en deze invloed beperkt zich zeker niet tot het huiswerk.

Meer nog de invloed van de thuissituatie is veel groter dan al dan niet huiswerk. De taal die men thuis spreekt heeft bijvoorbeeld een enorme impact, waarbij dit niet eens slaat op een vreemde taal versus Nederlands, nee, het gaat over de complexiteit van de thuistaal, in welke mate men met het jargon van de school in contact komt. Het zou kunnen verwonderen dat deze invloed dan weer een nuance krijgt door de kolossale invloed van de hoeveelheid boeken men thuis heeft (kijk hier) waarbij opeens de invloed van afkomst en het opleidingsniveau van de ouders compleet lijkt te verdwijnen, maar in feite bevestigt dit gewoon dat de rijkdom van taal belangrijk is. Als we 1 ding met zekerheid kunnen zeggen: slecht presteren op school heeft vaak verschillende oorzaken, waarbij ze vaak op elkaar inwerken en waarbij er enkele zeer duidelijk zijn.

Terug naar het huiswerk nu en het echte probleem: huiswerk is te vaak weinig of niet nuttig. Dit is wat Maltese et al. ook in hun onderzoek vooral lijken te willen zeggen. We weten uit vroeger onderzoek dat in de basisschool de invloed sowieso beperkt zou zijn (zie oa Hattie). En als de kinderen om de taken op te lossen, moeten rekenen op het intellect van hun ouders, dan betekent dit dat je vooral de ouders aan het oefenen of testen bent. Maar aan de andere kant, huiswerk in het voortgezet onderwijs dat voorbereidt op een les, waarbij je als leerkracht er voor zorgt dat het je in staat stelt om veel (persoonlijke) feedback te geven aan je leerlingen en het hen helpt beter in te schatten wat ze wel of niet kunnen, dat soort huiswerk blijkt dan weer wel behoorlijk effectief, volgens Maltese zeker voor wiskunde-onderwijs. 2 quotes van betrokken onderzoekers bij dit meest recente onderzoek maken dit extra duidelijk:

“In today’s current educational environment, with all the activities taking up children’s time both in school and out of school, the purpose of each homework assignment must be clear and targeted. With homework, more is not better.”

“If homework is going to be such an important component of learning in American schools, it should be used in some way that’s more beneficial. More thought needs to be given to this, rather than just repeating problems already done in class.” (bron)

Pedro De Bruyckere

Het is geen nieuw idee, integendeel, en veel mensen denken effectief dat onderwijs de wereld kan veranderen maar is dat effectief zo?

Larry Cuban heeft er de nodige vraagtekens bij in een recente blogpost. Het is een uitgangspunt geweest van de kritische pedagogiek zoals onder andere bekend van Horkheimer maar ook Freire.

Cuban stelt vast dat het tot nu toe zelden lukte…

Vandaag hopen veel mensen dat we sociale ongelijkheid kunnen wegwerken in onze samenleving door het onderwijs aan te passen. Het is zeker in Vlaanderen een groot probleem dat een lagere sociaal-economische status (SES) correleert met wat je studeert. Tegelijk is het naïef te denken dat je dit probleem enkel kan oplossen door onderwijs te veranderen als de rest van de maatschappij niet meewerkt.

Het is een groot probleem dat kinderen zeker in het voortgezet onderwijs zo weinig technische of beroepsrichtingen kiezen. Opvallend is wel dat in Vlaanderen dergelijke knelpuntrichtingen wel gekozen worden in het hoger onderwijs.

Een deel van de verklaring kan zijn dat het statuut en het loon dat iemand krijgt na een dergelijke richting in het secundair onderwijs zoveel slechter en meer onzeker is dan alle andere beroepen.

Als je onder andere hier niets aan doet, dan zullen veranderen in het onderwijs wellicht weinig uithalen.

Kan onderwijs de wereld veranderen? Wellicht een beetje wel, maar niet alleen.

De zomer is een periode voor lezen (of beter, ik lees dan nog net ietsje meer) en ik wil graag 2 inzichten meegeven rond kennis en leren die ik deze zomer meekreeg.

Frank Furedi is een niet onomstreden denker, vaak als rechts bestempeld na een extreem-links verleden, die met zijn boek Wasted, why education isn’t educating mij alvast een interessante contradictie bijleerde. We horen steeds weer dat we leven in een kenniseconomie, maar tegelijk is kennis voor sommigen iets triviaal geworden. Waarom zou je nog iets moeten leren dat je toch even makkelijk kan opzoeken? Gaat het dan eerder over de vaardigheid om hoe je kennis moet kunnen vinden en toegang tot kennis dan eigenlijke kennis bezitten? Ik ga lang niet akkoord met alles wat Furedi stelt, maar het is een frappante vraag.

Daniel Willingham geeft op deze vraag een duidelijk antwoord. Om kennis te verwerven heb je net veel kennis nodig. Ook voor andere vaardigheden die cruciaal zijn in een eenentwintigste eeuw en de huidige kennismaatschappij, denk aan creativiteit, is het hebben van een ruime kennisbasis cruciaal.

Hoe lost een expert een probleem op? Omdat hij andere dingen ziet in het probleem dan een leek. Vergelijk het met muziek. Een bluesliefhebber zal andere dingen horen in een bluessong dan iemand die het muziekgenre niet kent. Willingham gaat nog wat door op het concept van kennis en onderwijs. Hij stelt ook het idee dat kinderen op school kennis zouden moeten construeren in vraag. Dit is te hoog gegrepen, want nieuwe kennis opbouwen is een manier waarop experts werken. Dit is niet de zelfde manier waarop beginnelingen met de zelfde informatie omgaan. Hij ziet dan ook eerder kennisbegrip als haalbaar doel.

Waar Gladwell stelt dat je 10.000 uren nodig hebt om op een bepaald domein expert te worden, heeft Willingham het eerder over een gemiddelde van 10 jaar.

Ik vind het zelf jammer dat we zo weinig discussiëren over wat we we best meegeven in het onderwijs. We hebben het vaak over de vorm, al wat minder over het doel en zelden over het wat. En als we het over de inhoud van onderwijs hebben, dan is het vaak eerder een ideologische discussie, terwijl de vraag ook zou kunnen zijn welke kennis we nodig hebben om verdere kennis op te bouwen.

Veel leerplezier!

Bronnen:

Furedi, F. (2009). Wasted: Why education isn’t educating. London: Continuum.

Willingham, D. T. (2009). Why don’t students like school?: A cognitive scientist answers questions about how the mind works and what it means for the classroom. San Francisco, CA: Jossey-Bass.

Video in de klas, bij uitbreiding in het onderwijs, is momenteel brandend actueel onder andere door de Khan Academie. Ondertussen bestaat er vrij veel onderzoek naar effectieve video’s en minder effectieve en blijkt dat er een paar eenvoudige elementen zijn waarop je video’s kan kiezen of gebruiken. Studenten presteren slechter in de volgende situaties

  • als in de video tekst gebruikt wordt bovenop een animatie en een vertelstem waarbij de tekst het gesproken woord samenvat of als ondertitels weergeeft.
  • Als de video interessante maar onrelevante informatie bevat in wat er verteld wordt.
  • Als de video interessante maar onrelevante informatie bevat in wat er extra getoond wordt tijdens de video door bvb andere clips of fragmenten.
  • Als er voor de video interessante maar onrelevante informatie komt.

Een deel van deze redenen heeft te maken met de dual channel theorie, waarbij we 2 kanalen zouden hebben waarlangs informatie binnenkomt, namelijk via woorden en via beelden. Als een van beide kanalen overprikkeld wordt, daalt het leren. De theorie van Mayer kan je goed of slecht vinden, wat ik net schreef over wanneer video’s minder werken in de klas is op basis van empirisch onderzoek vastgesteld. Er kan altijd een andere onderliggende reden zijn, maar voorlopig (yep, dat hoort bij wetenschap), lijkt deze theorie zeer bruikbaar.

Oja, over de filmpjes van de Khan-academie, hier is ook zeker iets op aan te merken over de effectiviteit, een licht andere aanpak zou wellicht minder welbevinden opleveren maar meer leereffect volgens deze onderzoeker.

Referenties:

Clark, R. C., & Mayer, R. E. (2011). E-learning and the science of instruction: Proven guidelines for consumers and designers of multimedia learning. San Francisco, CA: Pfeiffer.

Mayer, R. E., Heiser, J., & Lonn, S. (2001). Cognitive Constraints on Multimedia Learning: When Presenting More Material Results in Less Understanding. Journal of Educational Psychology, 93(1), 187-198. doi: 10.1037/0022-0663.93.1.187

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.434 other followers

%d bloggers like this: