Archief

Auteursarchief:

Eind november wierp Jeroen Clemens op ons blog een steen in de vijver met Online tekstbegrip: Nederlands als sultan in de harem.

Jeroen snijdt in zijn post taalbeleid aan, een onderwerp waar ik al jaren mee bezig ben.
Janien Benaets haalt daar in haar reactie taalgericht vakonderwijs bij. Voor de helderheid: taalbeleid is beleid, dus planvorming. Een school kiest er bijvoorbeeld voor om in alle vakken explicieter aan taalverwerving te werken. Het beleidsplan op taal wordt dan geconcretiseerd en per leerjaar zou dan de focus anders kunnen zijn. In ieder geval worden de ideeën uitgewerkt in een plan, een taalbeleidsplan. Taalgericht vakonderwijs is de uitwerking van dat beleidsplan, taalgerichter werken in alle vakken. Het houdt in dat in ieder vak ook taal wordt onderwezen. Nu moeten we dat onderwijzen niet te letterlijk willen nemen, Nederlands wordt onderwezen bij het schoolvak Nederlands, maar Nederlands is de voertaal in alle vakken, er wordt gesproken, gelezen en geschreven in het Nederlands en daar moet dus ook expliciet feedback op worden gegeven.

Je moest het in de jaren zestig of zeventig niet in je hoofd halen om bij aardrijkskunde of een ander vak iets in te leveren dat niet goed was opgebouwd of wemelde van de spelfouten. De spelfouten werden allemaal aangestreept. Waren het teveel fouten, dan kreeg je je werk zonder cijfer terug. Een kwestie van herschrijven, fouten verbeteren en weer inleveren. Vermoedelijk kreeg je puntenaftrek, want het werk werd na de uiterste inleverdatum ingeleverd.
Nu horen we docenten Nederlands (en van andere vakken) steen en been klagen over het erbarmelijke taalgebruik van hun leerlingen. Ik zeg dan: doe er wat aan!

Taalbeleid is natuurlijk breder dan het signaleren van structuur- of spelfouten.
Bij een goed uitgewerkt taalbeleidplan spreekt iedereen in de school dezelfde taal en past iedereen dezelfde taaldidactische interventies toe.
In de meeste taalbeleidsplannen komen scholen vaak niet verder dan een paar speerpunten zoals het samen verantwoordelijk zijn voor de opbouw van de woordenschat en het aanstrepen van spelfouten. Taalbeleid zou echter veel meer moeten inhouden, dus ook online tekstbegrip.

Bij Nederlands leren leerlingen dat signaalwoorden handige woordjes zijn om de structuur van teksten te herkennen. Het zou heel handig zijn als andere vakken ook weten wat die structuurwoorden zijn om hun leerlingen te helpen lastige vakteksten te doorgronden. De vakdocenten zouden daar dus er een beroep op moeten doen als zij met leerlingen teksten lezen. Doen vakdocenten het niet, dan komt er van de broodnodige transfer niets terecht, dan zien leerlingen die signaalwoorden als het speeltje van de docent Nederlands. Transfer wordt slechts bereikt als ook buiten het vak waar het wordt aangeleerd er een beroep op wordt gedaan.
Het is ook handig als de docenten moderne vreemde talen dezelfde taal spreken. Signaalwoorden worden bij Engels ‘linking words’ genoemd (hoewel ik in de VS heb gezien dat ze soms ‘signal words’ gebruiken) en bij Frans noemen ze dit ‘structuurwoorden’. Het is echt handiger om in de onderbouw dezelfde terminologie te gebruiken en daar pas in de bovenbouw onderscheid in aan te brengen (als je dat zo nodig wilt). Maak er afspraken over, leg het vast in het taalbeleidsplan en informeer nieuwe docenten over deze afspraken.

Bij Nederlands moeten leerlingen verschillende tekstsoorten leren schrijven, maar schrijven leer je alleen als je het heel vaak doet. Bovendien moet je leren dat je er met één versie niet bent. Je tekst moet even rusten, je moet er later nog eens kritisch naar kijken en daarna de tekst verbeteren. Of, nog beter, je laat de tekst aan iemand anders lezen en herschrijft je tekst op basis van commentaar.

Om goed te leren schrijven moet je meters maken. Die meters kunnen leerlingen niet alleen maken bij Nederlands. Docenten Nederlands zeggen dat zij hun leerlingen wel vaker zouden willen laten schrijven, maar ze lopen dan aan tegen stapels corrigeerwerk. In mijn ogen vallen die stapels nakijkwerk wel mee als je wat creatiever omgaat met nakijken, corrigeren en becijferen, maar docenten Nederlands hebben wel een belangrijk punt als ze zeggen dat er in andere vakken ook geschreven wordt en dat dit meer kan worden benut. Daar zou je nu mooie afspraken over kunnen maken en uitwerken in een taalbeleidsplan.

Welk vak schrijft welk product in welke fase van het jaar en in welke leerjaar. Toegegeven, hiermee haal je veel vrije ruimte van docenten weg, maar het gaat toch om het resultaat dat telt, dat leerlingen beter leren schrijven? Leerlingen laten oefenen met veel verschillende tekstsoorten, dat lukt toch alleen als je daarvoor alle vakken benut?
Dan moet je toch ook goede afspraken maken dat er een ruime verscheidenheid aan tekstsoorten aan bod komt?
Als docenten leerlingen in hun eigen vak kunnen ondersteunen bij het herkennen van tekststructuren kunnen ze ook gerichte feedback geven op teksten die hun leerlingen schrijven voor hun vak. Bovendien, leerlingen leren veel van elkaar, juist als ze teksten van elkaar kritisch onder de loep moeten nemen, maak daar ook gebruik van.

Terug naar online tekstbegrip. Laten we beginnen met alle docenten te informeren wat de belangrijkste leesstrategieën zijn die leerlingen moeten toepassen bij gedrukte teksten en dat meteen uitbreiden naar online teksten. Docenten Nederlands kunnen hier het voortouw nemen door hun collega’s te informeren. Als zij zelf goed kunnen modellen en goed op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op dit terrein kunnen zij hun collega’s trainen.

Stap 1
Bij gedrukte én online teksten is de eerste en belangrijke stap voorkennis activeren voordat je leest! Bij voorkeur wordt de te lezen tekst nog niet uitgedeeld of getoond! Het gaat namelijk om de reeds aanwezige kennis los te weken in het eigen koppie en dat lukt niet als leerlingen de tekst gaan skimmen. Dan slaan ze dat belangrijke stukje over.
De titel van de tekst op het bord zetten en inventariseren. Eventueel neem je de tussenkopjes (of hyperlinks) ook over met een afbeelding die in de tekst staat, of een tabel. Waar gaat dit over? Waar zal dit over gaan? Wat zou je willen weten als je deze titel ziet? Als je deze tabel ziet? Wat denk je dat, wat wil je weten, wat weet je al?
Je geeft eerst 1 minuut denktijd en zo benoem je die tijd ook voor leerlingen, dan 1 minuut om op te schrijven en vervolgens wijs je leerlingen aan. Nee, geen vingers natuurlijk. Vraag:’Ben je het met … eens, waarom wel/niet, kun je de voorspelling van … aanvullen?’.

Stap 2
De tweede stap is een gezamenlijke voorspelling doen. Er is het een en ander gezegd, maar welke voorspelling ga je samen toetsen terwijl je leest? Met de leerlingen kies je één of twee voorspellingen uit, die staan centraal bij het lezen van de tekst. Je spreekt vervolgens over ONZE voorspelling.
Deze manier van het introduceren van teksten, of dat nu gedrukte teksten zijn of online teksten, bevordert actieve deelname, het bevordert interactief lezen. Leerlingen willen gewoon hun voorspelling toetsen, klopt mijn voorspelling?

Stap 3
Tijdens het lezen doe je bij voorkeur in de beginfase regelmatig hardop voor hoe je je voorspelling toetst. Je stopt bij iedere alinea, je focust op verbindingswoorden of signaalwoorden in de tekst en doet hardop voor welke relaties je legt.
Het is een kunst om leerlingen te leren dat een voorspelling niet hoeft te kloppen. Je kunt het bij voorspellen namelijk niet goed hebben, je kunt het goed hebben, maar het hoeft niet. Dat moet je dus hardop voordoen om het voor leerlingen inzichtelijk te maken dat een foute voorspelling heel belangrijk kan zijn: ‘Kijk, WIJ hadden voorspeld dat (…), maar nu blijkt dat (…), dat hebben WE dan toch maar geleerd door ONZE voorspelling te toetsen’. Door teksten regelmatig zo te behandelen, gaan leerlingen zelf ervaren dat voorkennis activeren en voorspellen van de inhoud goed werkt om meer uit een tekst te halen.

Ik heb hier drie leesstrategieën besproken, er zijn er nog een paar, maar het gaat mij om het voorbeeld. Taaldidactiek, of dat nu leesdidactiek (online of niet) of schrijfdidactiek betreft, moet onderdeel zijn van alle vakken. Bij het schoolvak Nederlands wordt het onderwezen, maar andere vakken maken er gebruik van, ze passen het toe.

 

Vooralsnog moeten we het dus doen met nascholing op geïntegreerde taaldidactiek. Regelmatig verzorg ik trainingen aan kleine groepen geïnteresseerde docenten over bijvoorbeeld leesdidactiek of schrijfdidactiek en bij voorkeur worden daar dan een paar lesbezoeken aan vastgeknoopt, zodat bij iedereen in de klas wordt gekeken hoe het gaat. Dat wil zeggen dat er positief wordt bekrachtigd en dat tips kunnen worden gegeven om er nog beter in te worden. Kies je eigen aanbieder, maar zorg er zelf voor dat het een nascholingstraject wordt en geen eenmalige bijeenkomst. Het is erg lastig jezelf bij te sturen als je eigenlijk niet precies weet of je het goed in praktijk brengt.

Ook ontwikkel ik inhoudelijke lessenseries met geïntegreerde taaldidactiek. Het is materiaal dat meerdere doelen dient. Voor leerlingen zijn het lessen waarin ze veel algemene basiskennis en schooltaalwoorden leren, zodat ze schoolvakken beter kunnen volgen. Ze oefenen met schrijven om te leren schrijven en schrijven om te leren, om de verworven kennis te verwerken. Maar docenten die werken met zo’n module, ervaren hoe geïntegreerde taaldidactiek werkt. In de handleiding worden tips gegeven, welke vragen ze moeten stellen, wat ze wel en niet hardop voor moeten doen, hoe ze het schrijfproces in stappen begeleiden. Heb je met twee of drie modules gewerkt, dan heb je kennis gemaakt met handige (taal)didactische structuren die je in je eigen lessen kunt inpassen.
Ga dus op zoek naar goed voorbeeldmateriaal, zodat je ervaart hoe taal en vak gecombineerd kunnen worden.
Geïntegreerde taaldidactiek, een kwestie van willen en doen!

Marijke Kaatee

Robert Marzano, De Kunst en Wetenschap van het lesgeven, 2012
John Hattie, Visible Learning, a synthesis of over 800 meta-analyses relating to achievement, 2009
Voorkennis activeren is een van de belangrijkste ‘evidence based’ strategieën voor begrijpend lezen die veelvuldig geoefend moeten worden voordat ze zijn geïnternaliseerd, zie Kees Vernooy en Joop Stoeldraijer, 2007.
Jentine Land, Zwakke lezers, sterke teksten, proefschrift 2010, Universiteit van Utrecht
H. Blok en A. van Gelderen, Het verbeteren van een geschreven tekst door leerlingen uit de bovenbouw van het basisonderwijs, in Pedagogische Studiën, jrg 71, nr 1, p. 4-15
Theo Pullens, ‘De stand van zaken in het schrijfonderwijs op de Nederlandse basisschool, In: Tijdschrift Taal, jaargang 1, nummer 2, 2010, p 12-16
Amos van Gelderen, Anita Oosterloo en Harry Paus ‘Waarheen, waarlangs, tot waar’ In: Tijdschrift Taal, jaargang 1, nummer 2, 2010, p 6-11.
Kees Vernooy, Effectieve instructie in leesstrategieën, 2010
Stephanie Harvey en Anne Goudvis, Strategies that Work. Teaching Comprehension to Enhance Understanding, Pembroke Publishers, Ontario, 2000
Robert Marzano en Wietske Miedema, Dimensie 1 In: Leren in vijf dimensies, 2010

Dank je voor je reactie: Minder toetsen en meer feedback: een mooie mix. Dit is een mooie aanvulling Frans. Feedback is inderdaad een belangrijk didactisch instrument. Het past met directe instructie, rolwisselend leren en het bevorderen van metacognitie in het rijtje van meest effectieve interventies in het onderwijs. Helaas is feedback geven minder eenvoudig dan het lijkt, maar dat geldt ook voor het toepassen van rolwisselend leren. Het is goed dat je verwijst naar Hattie als bron, hoewel ik niet vind dat docenten het ook maar even moeten lezen. Een metanalyse leest gewoon niet prettig. Ik hoop dat docenten doen wat Hattie zegt: “The theme throughout this book is that the beliefs and conceptions held by teachers need to be questioned – not because they are wrong (or right) but because the essence of good teaching is that teachers’ expectations and conceptions must be subjected to debate, refutation, and investigation. Only then can there be major improvement in student achievement.”
Graag verwijs ik dan ook naar Marzano die uitkomsten van o.a. Hattie vertaalt naar de praktijk. Er is onlangs een nieuw boek van Marzano vertaald in het Nederlands: Klaar voor de 21e eeuw. Vaardigheden voor een veranderende wereld. Dit is hét geschenk voor onder de kerstboom: een handboek voor goed onderwijs.
Ik ben er nog in bezig, maar zal er binnenkort over bloggen. Het staat in ieder geval nu al met een korte beschrijving bij mijn leestips voor december 2012 op mijn blog.

Een goede conclusie Dick, docenten moeten zelf uitvoering geven aan het bevorderen van creativiteit en niet wachten tot een het ideale schoolsysteem is ingevoerd. Hoewel ik ook een herziening van het stelsel voorsta, vind ik dat om andere redenen dan jij. Daarover een andere keer.
Jij bepleit meer creativiteit, in alle lessen, door alle docenten. Terwijl ik het met je eens ben, wil ik hierbij toch enige kanttekeningen plaatsen.

Je verbindt het ontbreken van het bevorderen van creativiteit met toetsen en testen. Creatief vermogen zou lastig te toetsen zijn, bovendien vind je dat er teveel nadruk ligt op testen en toetsen door de overheid.

Ik heb geen moeite met testen en toetsen. Onderwijsopbrengst moet meetbaar zijn. Voor leerlingen, voor ouders en voor de overheid. Helaas hebben we genoeg voorbeelden gezien van scholen die niet toetsten (omdat het lange tijd ook kon) waarbij leerlingen en ouders er pas heel laat achter kwamen dat het onderwijs ver onder de maat was. Zelf heb ik twee zonen op het voortgezet onderwijs gehad en de verschillen kunnen zien. Een zoon op een gymnasium waar toetsen een vanzelfsprekendheid was om te meten of leerlingen op het goede niveau zaten. Gaten werden gedicht en leerlingen werden goed naar hun einddiploma gegidst. Het leidde tot een diploma met waarde, een geldige startkwalificatie voor de Universiteit waar hogere vormen van denken noodzakelijk zijn. Een andere zoon zat op een ‘Vrije school’. Hoewel het in alle toonaarden werd ontkend, stelden wij toch vast dat in de vierde de leerlingen bij wiskunde, natuurkunde en scheikunde niet op het juiste niveau zaten. Op de school was heel veel aandacht voor creativiteit, maar niet de creativiteit die wij ook hoopten te zien: het demonstreren en bevorderen van ‘high order thinking skills’ en het opvoeren van het tempo. Leerlingen moesten voornamelijk zelf hun kennis construeren, er was veel aandacht voor samenwerken, maar leerlingen klaagden over het ontbreken van uitleg. Thuis dichtten wij de hiaten, werd de oudste zoon ingeschakeld voor het uitleggen en voordoen hoe je bepaalde taken kon aanpakken om vraagstukken op te lossen. Het resulteerde uiteindelijk in het collectief organiseren van bijlessen in de vijfde klas door ouders om de kenniskloven te overbruggen zodat de leerlingen in de zesde konden slagen voor hun schoolonderzoeken en examen.

Terug naar de rol van creativiteit in lessen. Ik neem aan dat jij daar ook creatief denken mee bedoelt, het probleemoplossend vermogen, het kunnen combineren van kennis, het out of the box kunnen denken om nieuwe concepten te kunnen construeren. Maar dit wordt toch niet door de overheid ontmoedigd door ook de standaarden te bewaken met toetsen en examens? De overheid stuurt op output, bemoeit zich niet met het hoe, maar veronderstelt wel dat docenten zich bedienen van didactische structuren om leerlingen bijvoorbeeld creatief denken aan te leren.
Creatief denken en problemen oplossen kan een enkeling maar vanzelf, de meeste leerlingen moeten gewoon leren hoe het gaat. Creatief denken leer je doordat het wordt voorgedaan en het samen wordt geoefend. Deze maand staat er in Van 12 tot 18 een artikel van Paul A. Kirschner, Richard E. Clark en John Sweller: Helemaal uitleggen of zelf laten ontdekken? Zie deze scan!

Ik ben er niet bij geweest en hoewel ik erop vertrouw dat je het goed hebt uitgelegd, zouden de leerlingen waarvan jij vermoedt dat zij een ‘fixed mind’ hebben, misschien meer geleide instructie nodig kunnen hebben, want niet iedere leerling kan het zelf ontdekken, zelfs niet na prettige en ontspannen aanmoediging. De leerling zit niet op slot, maar ervaart beperkingen. Dus de waarneming dat deze leerlingen hulpeloos gedrag vertonen is juist, ze gaan er van uit dat ze een taak niet kunnen volbrengen en ook na aandringen lukt het niet. Deze leerlingen zijn dus (nog) niet in staat zelf iets te construeren of te ontdekken, zij verkeren vermoedelijk nog in de fase dat ze volledig begeleide instructie nodig hebben. Kirschner en anderen melden dat uit onderzoek blijkt dat minimaal geleide instructie vraagt om moeilijkheden. Er wordt onderzoek aangehaald van Richard Mayer die een bepaalde regelmaat ontdekte. Steeds nadat empirische studies hadden laten zien dat allerlei vormen van niet-geleide instructie niet werken, stak er een vergelijkbare aanpak toch de kop weer op, steeds onder een andere naam.
“Dat proces herhaalde zich grofweg iedere tien jaar. (…) Deze opmerkelijke cyclus heeft ons eerst ontdekkend leren opgeleverd, dat vervolgens plaats maakte voor experimenteel leren, dat weer plaats maakte voor probleem-gestuurd leren en onderzoekend leren, dat recent weer plaats gemaakt heeft voor constructivistische instructietechnieken. Mayer concludeert dat het debat over ontdekkend leren vele keren opnieuw afgedraaid is in het onderwijs en dat elke keer de bewijzen uitvallen in het voordeel van een geleide aanpak.”

Waarom blijft deze discussie steeds weer oplaaien? Kirschner e.a. geven aan dat juist docenten die leraren opleiden zich thuis voelen in het concept eigen kennis instrueren, het past hen als een jas en gaan er dus van uit dat ook hun leerlingen (studenten) dit goed zal passen. Ze nemen aan dat creatief denken en zelf problemen op kunnen lossen dé manier van leren is.
Door een uitstapje te maken naar hoe het geheugen werkt, wordt in het artikel gedemonstreerd dat leerlingen meer baat hebben met directe instructie om vervolgens zelf creatiever om te kunnen gaan met kennis en vaardiger te worden in het oplossen van vraagstukken. Hun conclusie luidt dan ook dat een halve eeuw solide empirische onderzoeksresultaten het rechtvaardigt om te stellen dat leraren hun leerlingen beter kunnen voorzien van duidelijke expliciete instructie dan hen alleen maar te assisteren bij het ontdekken van kennis.

Zelf ben ik pas goed op directe instructie gaan letten in het voortgezet onderwijs nadat ik geruime tijd ook werkzaam ben geweest in het primair onderwijs. In het primair onderwijs is het directe instructiemodel de afgelopen tien jaar massaal ingevoerd. Leerkrachten zijn er in nageschoold en als ze nu van de opleiding komen kunnen ze het toepassen. Ik constateer bij klassenconsultaties dat het directe instructiemodel in het voortgezet onderwijs nagenoeg niet wordt toegepast, zelfs niet in schooltypen waar je dat juist zou verwachten (VMBO). Vandaar ook dat het zo’n toer is om begrijpend lezen in het voortgezet onderwijs goed in te voeren. De basis voor begrijpend leren lezen is namelijk op dit model, hardop voordoen hoe het gaat: hoe activeer je voorkennis, wat doe je dan precies, hoe verbind je je voorkennis met wat je leest, hoe verbind je alinea’s enzovoorts.

Leerlingen moeten creatief leren denken, niet omdat we dat interessant vinden, maar omdat ze deze vaardigheid nodig hebben in de maatschappij en het vervolgonderwijs. Wat is creatief denken, wat doe je dan precies? Ook hier is hardop denken van onmisbare waarde. In alle typen voortgezet onderwijs zou het directe instructie model dus zichtbaar moeten zijn. Al die leerlingen die op slot gaan bij taken waarbij zij zelf vragen moeten stellen en iets met kennis of concepten moeten doen, zijn erbij gebaat dat dit eerst wordt voorgedaan (modellen), dat de taak daarna samen wordt gedaan en tot slot alleen.

Dan kom ik nu terug op het toetsen. Kun je deze vormen van creatief denken toetsen? Ja. Daarom vind ik Bloom zo waardevol bij toetsconstructie. Bloom maakt inzichtelijk dat er verschillende lagen van kennisverwerking en kennisconstructie zijn. Al die lagen moeten worden getoetst, niet om leerlingen af te rekenen, maar om te controleren of ze het kunnen. Bloom is dus een handig richtsnoer om te bewaken of je leerlingen voortgang boeken. Ik kom dan bij een van mijn stokpaardjes dat in een toets kennis en vaardigheden getoetst moeten worden op verschillend niveau van verwerking en uiteraard alleen als daar in de voorgaande lessen aandacht voor is geweest.

Problemen oplossen en kennis construeren zijn denkprocessen die vragen om voordoen, hardop denken, dus modellen. Natuurlijk zitten er in klassen slimme leerlingen die het meteen zelf kunnen, maak dan gebruik van rolwisselend leren: schakel deze leerlingen in bij de eerste fasen van het directe instructiemodel. Zo worden alle leerlingen op maat bediend. Bij het leren van creatief denken maakt het niet uit van wie je dat leert, of dat de docent is of je peers, als je maar in staat gesteld wordt om het te leren!

Fijn dat Paul Ket een stuk heeft geschreven over Toetstechniek-voor-docenten-1. Het is een helder stuk en ik kan me er voor een groot deel in vinden, alleen mis ik een aantal noodzakelijke stappen vooraf.
Paul Ket noemt onder het kopje ‘Voor de afname’ dat leerlingen hun naam op het blaadje schrijven. Is dat alles? Bij de fase ‘Voor de afname’ hoort toch veel meer? Feitelijk is dit de belangrijkste fase van een toets. De toets moet namelijk zorgvuldig worden samengesteld en de vragen moeten in heldere taal op papier worden gezet. Juist deze fase zorgt ervoor of je leerlingen eerlijk de maat neemt.

Na afloop van een proefwerk hoor je leerlingen vaak uitroepen: “Oooh, was dat de bedoeling van de vraag. Ik snapte die vraag niet. Als ik dat had geweten, dan wist ik het wel.
Communicatieproblemen tussen de toetsenproducerende docenten en de toetsenmakende leerlingen komen regelmatig voor en zelfs bij het schriftelijk examen krijgen leerlingen verwarrende vragen voorgelegd.
Toetsen worden vaak geproduceerd onder tijdsdruk en de docent weet precies wat hij bedoelt. Het aantal ‘cues’ dat hij nodig heeft om zelf te snappen wat zo verschrikkelijk logisch is in de vraagsteling, is meestal gering. Hij leest in veel gevallen meer dan hij schreef. In veel gevallen levert dat geen grote botsingen op. Het verschil in positie tussen docent en leerling maakt dat een docent niet behoeft te overdenken of de vraag wel helder genoeg was voor de leerlingen. Zelf niet als een groot deel van de klas de vraag foutief heeft beantwoord. Het ligt aan het reflectief vermogen aan een docent of hij bij veel fouten overdenkt of het misschien aan de vraagstelling heeft gelegen. Bovendien zijn er leerlingen die langere tijd door een bepaalde docent zo getraind worden dat ze bijna automatisch bedenken wat de docent zou kunnen bedoelen. Bij die strategisch goed onderlegde leerlingen kan het er wel toe leiden dat ze soms niet hebben kunnen laten zien wat ze waard zijn. Dat is dan toch wel jammer.

We toetsen om te zien of leerlingen leerstof en vaardigheden in voldoende mate beheersen. We controleren of onze lessen zijn begrepen, waar de hiaten zitten en we beoordelen, we nemen leerlingen de maat. Met het afnemen van toetsen houden we ons dus bezig met plaatsing (op het juiste niveau), voortgang en controle (bereik ik mijn doelen), diagnose, determinatie en bevordering. Voor leerlingen hangt er dus heel veel af van het maken van een toets. Vandaar dat het mij vreemd overkomt dat er soms lichtzinnig wordt omgesprongen met het maken van proefwerken. Juist het proces dat vooraf gaat aan het maken van de toets, het formuleren van de toets zelf en de controle of de toetst doet wat wordt beoogd, krijgt onvoldoende aandacht.
Iedereen die zelf kinderen heeft gehad op het voortgezet onderwijs kan er over meepraten. Je zoon of dochter was goed op het proefwerk voorbereid en kwam toch met een onvoldoende thuis.

Ik heb op veel scholen docentengroepen getraind en begeleid bij het maken van toetsen. We beginnen meestal met het verzamelen van toetsen van de school. Vervolgens analyseren we die toetsen. Docenten schrikken dan van de toetsen die collega’s hun leerlingen voorleggen, ze bezien eigen toetsen opeens met een andere bril en ook methodetoetsen kunnen vaak de toets der kritiek niet doorstaan.

Wat toetsen we eigenlijk?
Voor leerlingen hangt er veel af van een toets. Zoals hierboven beschreven zijn er verschillende toetsdoelen, maar in de meeste gevallen gaat het bij toetsing in het voortgezet onderwijs om cijfers te genereren. De cijfers worden ingevoerd en aan het einde van het schooljaar wordt bepaald of een leerling wel of niet kan doorstromen naar het volgende leerjaar, kan opstromen of moet afstromen.
Als ik docenten vraag welke criteria ze belangrijk vinden bij bevordering, opstromen of afstromen, dan noemen docenten meestal de beheersing van de leerstof en het gedrag van de leerling. Hoe stelt de leerling zich bijvoorbeeld op in de klas.
Zo beantwoorde een docent Duits de vraag ‘ Noem eens drie criteria waarop je bijna intuïtief je determinatie baseert’ met: ‘Oplettende oogjes, de drang om niets te willen missen’.
Bij mijn inventarisaties op een paar scholen stelde ik steeds dezelfde vraag. De uitkomst was: tekstbegrip, interesse/diepgang, actieve omgang met leerstof, motivatie, zelfstandig kunnen plannen, snelheid van opname, abstractievermogen, complexiteit en logische argumentatie. Bij discussies die daarop volgden kwam naar voren dat de lessen zich niet op die facetten richtten. Interesse/diepgang, actieve omgang met de leerstof, abstractievermogen en logische argumentatie moest in de leerling zelf zitten en het zelfstandig kunnen plannen was iets voor de mentorlessen. Het meest opvallende was dat alles wat werd genoemd niet werd getoetst!

Kan het ook anders?
Zou het mogelijk zijn om positief te determineren door vooraf te formuleren wat het profiel is van de ideale mavo, havo en vwo leerling. Wat moet zo’n leerling kennen, kunnen, weten en zijn? Welke leerstof moet wanneer en op welk niveau worden beheerst om succesvol te kunnen doorstromen? Hoe wordt dat dan getoetst?
In dit licht is het logisch dat toetsen en proefwerken gebaseerd zijn op weloverwogen criteria.

Bij toetsconstructie is dus de eerste stap:
Wat is het leerdoel? Wat moeten mijn leerlingen kennen en kunnen, welke begrippen (schooltaal en vaktaal, passief en actief), welke vaardigheden moeten ze kunnen laten zien (onder welke omstandigheden en onder welke voorwaarden) en wat neem ik dus op in mijn toets?

De tweede stap is beslissen hoe jouw leerlingen het beste kunnen laten zien wat ze kennen/kunnen/beheersen? Worden het multiple choice vragen, open vragen, gesloten vragen, ja/nee vragen, invulvragen – invulschema’s (aanvulschema’s) en wat voor soort vragen.

De derde stap is het bepalen van de lengte van een proefwerk en afweging maken tussen actieve en passieve kennis. Op sommige scholen gelden regels voor de duur van een proefwerk, de duur in tijd bepaalt dan wat er in het proefwerk komt. Ik snap dat het organisatorisch soms beter uitkomt, maar leerlingen zijn er niet bij gebaat en het levert vaak ook niet meer aan data op.
Niet de organisatie moet bij toetsen centraal staan, maar de leerling. Niet alle kennis hoeft te worden gereproduceerd, leerlingen hoeven niet 45 minuten leeg te lopen (omdat het handig is voor de organisatie), kennis en vaardigheden kunnen worden getoond binnen een tijdsbestek van 20 minuten.
Wil je het proefwerk dan echt langer laten duren, richt je dan op determinerende vragen, maar geef wel een breuk aan in het proefwerk zodat je het cijfer bepaalt boven de breuklijn. Geef een verdiepingsvraag voor ‘diehards’ die zo kunnen laten zien wat ze werkelijk waard zijn. Maak voor andere leerlingen een vraag waarbij je ‘kennis weggeeft’ om een moeilijkere vaardigheid te toetsen. Ook dat geeft je inzicht in het functioneren van je leerlingen.
Maak geen vraag als een drietrapsraket, waarbij vragen worden verdeeld in de stappen A, B en C, waarbij kennis uit A noodzakelijk is om de bewerking in B en C te kunnen toepassen. Om te toetsen of een leerling vaardigheden uit B en C beheerst, kan de kennis uit A beter worden gegeven. Een leerling is dubbel gedupeerd als B en C wel beheerst worden, maar niet getoond kunnen worden omdat het antwoord op A niet is gelukt te achterhalen.

De vierde stap richt zich op de opbouw van de toets.
Laat leerlingen lekker op gang komen door een eenvoudiger kennis- of begripsvraag. Stel vervolgens een of twee toepassingsvragen en eindig met een analyse, synthese of evaluatievraag.

De vijfde stap is het formuleren van de vragen.
Omdat het gaat om leerstoftoetsen en niet om tekstbegrip, is heldere schrijftaal belangrijk, dus liefst met eenvoudige zinnen. Het gaat om het ontlokken van kennis, daarbij kan de vraagstelling behulpzaam zijn of belemmerend werken. Dus vermijd passieve zinnen, moeilijke woorden en figuurlijk taalgebruik. Plaats opsommingen onder elkaar, zet iedere zin op een nieuwe regel als dat de vraag verduidelijkt en maak gebruik van een transparante opmaak.
Onder de vijfde stap hoort ook de opmaak van het proefwerk.
Gelukkig zijn er scholen die hebben afgesproken dat toetsen moeten voldoen aan de huisstijl van de school met een bepaald lettertype, bepaalde regelafstand, afspraken over hoe het zichtbaar is dat er een nieuwe vraag begint en dat wordt aangegeven wanneer een leerling de laatste vraag heeft beantwoord. Maar op veel scholen is dat niet het geval en wie een willekeurige verzameling proefwerken van een school onder ogen krijgt, schrikt zich soms een hoedje. Nog steeds krijgen leerlingen toetsen voorgeschoteld die er niet uitzien en het maken ervan bemoeilijken. Het komt voor dat een docent vragen van verschillende toetsen bij heeft elkaar gesprokkeld, soms zelfs nog geknipt en opgeplakt op een A4 dat vervolgens is gekopieerd. Afbeeldingen en schema’s waar leerlingen mee moeten werken zijn dan praktisch onleesbaar, allerhande lettertypes worden door elkaar gebruikt en het is soms niet te zien waar de ene vraag eindigt en de andere begint. Ga er maar aan staan.

Als stap één tot en met vijf zijn doorgewerkt komt in de zesde stap pas het vaststellen van het antwoordmodel aan de orde.
Het goede antwoord wordt opgeschreven, waarbij wordt genoteerd aan welke eisen het antwoord moet voldoen. Hierbij worden ook de te verwachte fouten opgeschreven.
Per vraag wordt een scoringsvoorschrift gemaakt (punten per vraag).

Tijdens de zevende stap worden de vragen kritisch doorgenomen. Toets iedere vraag het gewenste leerdoel? Is er een spreiding in vraagvormen (meerkeuze, ja/nee en open vragen? Is er een spreiding in vraagsoorten (Bloom) en is er aan de opbouw in vraagvormen en vraagsoorten voldaan. Voldoet het correctiemodel aan de vuistregels?
Pas als alles is gecontroleerd, wordt het proefwerk aan een collega gegeven die de vragen kritisch doorneemt en commentaar geeft op de vragen en het correctiemodel. Bij voorkeur wordt het proefwerk ook bekeken door een collega buiten de eigen sectie, dus iemand die niet ook al aan een half woord genoeg heeft om te begrijpen waar de vraag zich op richt.

Vervolgens keren we terug naar datgene dat Paul Ket heeft beschreven in zijn blogpost ‘De toetstechniek van docenten’ onder het kopje ‘Na de afname’.
Daar zou ik nog een belangrijk punt aan willen toevoegen: Het herzien van de toets!
Bij het nakijken zal blijken dat bepaalde vragen vaker goed of fout zijn beantwoord dan andere. Het is dan ook zinvol om per vraag te noteren hoe vaak de vraag goed, fout of half is beantwoord.
Bij een hoog foutenpercentage is er iets mis. Er is iets mis met de leerstof of de formulering van de vraag. Het is dan ook tijd om dat grondig te analyseren en de vraag misschien niet mee te tellen. Wordt er gewerkt met proefwerken die volgend jaar weer uit de kast worden gehaald, dan moet de vraag meteen worden herzien voor de volgende keer of worden geschrapt. Hierbij moet niet worden vergeten de collega’s in te lichten, op te letten dat oude versie wordt weggegooid en de goede versie in het digitale archief wordt opgenomen.
Verder kan op basis van het gemaakte proefwerk worden vastgesteld welke kennis of vaardigheden extra aandacht vragen bij de bespreking van het proefwerk of de vervolgles. Zo wordt het een nuttige bespreking en kan de vervolgles meteen zorgen voor het wegwerken van de gebleken hiaten in kennis of vaardigheden.

Voor iedereen die al zo zorgvuldig is bij de constructie van de toets, prima, houden zo. Hopelijk is dit ook schoolbeleid.
Voor docenten die van het bovenstaande in een kramp schieten, of voor scholen die er werk van willen maken, houd ik me aanbevolen om hier samen de schouders onder te zetten.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.434 other followers

%d bloggers like this: