Archief

Auteursarchief:

Door Jeroen Clemens

Deze verzuchting is eerder verschenen op mijn Edublog. In overleg leek het zinnig het hier ook te publiceren.

Vanmorgen kreeg ik een uitnodiging om als iemand uit ‘het veld’ mijn oordeel te geven over aanpassingen in het CSE voor HAVO en VWO vanaf 2015. Dat is een positieve actie van het College voor Examens (CvE). De docent die het moet doen, moet natuurlijk om zijn/ haar mening worden gevraagd.
Ik kreeg de uitnodiging via Levende talen die niet geheel neutraal het verzoek zo formuleerde ” Mede naar aanleiding van de discussiebijeenkomst die we vorig jaar als vakvereniging hebben georganiseerd, heeft het College voor Examens besloten het examen Nederlands voor havo en vwo aan te passen. Zo wordt tot vreugde van velen de geleide samenvatopdracht geschrapt. In de concept-syllabus leest u wat daarvoor in de plaats komt.”

Ik heb me direct opgegeven en de conceptsyllabi gedownload. Wat ik daar aantrof was helaas wat ik had verwacht. De aanpassingen zijn vooral ingegeven door de wens nog betrouwbaarder te beoordelen, maar de validiteit van het examen is volgens mij slecht. Het is een examen uit de twintigste eeuw, we toetsen geen 21st century skills.
De verandering betreft een aanpassing van het gedeelte Leesvaardigheid, waarvan een deel bestond uit een (geleide) samenvatting.
Om met het positieve te beginnen: Ik ben het eens met de beslissing de manier waarop dit nu wordt getoetst te veranderen. Het is geenszins (ecologisch) valide als bij de opdracht tot het maken van een samenvatting de inhoudselementen die in die samenvatting voor moeten komen al vooraf zijn gegeven. In de wereld buiten de school zal je zoiets nooit tegenkomen en de vaardigheid een tekst samen te vatten wordt daar m.i. niet door getoetst. De beslissing dit zo te toetsen is louter ingegeven door de grote nadruk die er bij toetsen wordt gelegd op betrouwbaarheid. Zo kijkt het makkelijk na en iedereen komt ongeveer op hetzelfde cijfer uit. Betrouwbaarheid ‘rules’.

Nu het punt waar ik veel bezwaar tegen heb. Zoals lezers van deze edublog weten doe ik onderzoek naar online tekstbegrip. Kort samengevat doe ik dat omdat (1) tegenwoordig (in de 21ste eeuw) de meeste teksten online staan en online worden gelezen, (2) deze teksten (meestal hyperteksten) andere kenmerken hebben dan offline teksten: ze hebben een andere structuur, zijn niet lineair opgebouwd, zijn niet statisch, maar veranderend, zijn vaak een cluster van teksten ipv een enkele tekst, hebben niet altijd een aanwijsbare auteur etc., (3) we uit grootschalig onderzoek (PISA, ORCA) weten dat leerlingen problemen hebben met het begrijpen van online teksten. Ook weten we dat leerlingen nauwelijks gebruik maken van papieren teksten, geen papieren kranten en tijdschriften lezen en dat de maatschappij ook vooral communiceert via online teksten.

Een misschien ouderwetse gedachte is dat onderwijs normaal-functioneel is, zoals Ten Brinke het in 1976 formuleerde. De school bereidt de leerling voor op de maatschappij buiten de school. Het onderwijs in tekstbegrip / leesvaardigheid zou dan gericht moeten zijn op de manier waarop teksten nu worden gemaakt. Dat hoeft niet uitsluitend, want kunnen lezen van papieren, lineaire teksten is ook een groot goed. Maar veel, zo niet de meeste teksten zijn tegenwoordig online teksten met hun eigen kenmerken en problemen.

Als we kijken naar de beschrijving van het nieuwe examen komen we echter geen enkele verwijzing tegen naar online teksten en online tekstbegrip.

We nemen eerst het voorbeeld van het VWO. VWO leerlingen moeten teksten kunnen begrijpen van referentieniveau 4F. Deze wordt als volgt omschreven:
Lezen zakelijke teksten. Algemene omschrijving 4F Kan een grote variatie aan teksten lezen over tal van onderwerpen uit de (beroeps) opleiding en van maatschappelijke aard en kan die in detail begrijpen. Tekstkenmerken De teksten zijn complex en de structuur is niet altijd even duidelijk.
Bij de de keuze van de teksten(voorbeeld HAVO) wordt gezegd:
Onderwerpen van de teksten. De kandidaten lezen teksten over onderwerpen van maatschappelijke aard. De teksten voor de havokandidaten zijn over het algemeen qua inhoud van een minder hoge abstractiegraad dan de teksten voor de vwo-kandidaten.
Tekstkenmerken. De teksten zijn relatief complex, maar hebben een duidelijke structuur. De informatiedichtheid kan hoog zijn. De teksten die aan de havokandidaten worden aangeboden, zijn over het algemeen qua zinsbouw en woordkeuze minder ingewikkeld dan de teksten voor de vwo-kandidaten.
Tekstsoorten. De kandidaten lezen informatieve, beschouwende en betogende teksten uit kranten en tijdschriften.

De keuze om alleen offline teksten te nemen uit kranten en tijdschriften en op geen enkele manier aandacht te besteden aan online teksten en tekstbegrip is is een keuze die past bij de twintigste eeuw, niet bij de eenentwintigste.
Het voorstel van het CvE is dus een kleine verandering, maar geen verbetering. Het is geen nieuw examen dat aansluit op de hedendaagse digitale kennismaatschappij.

De leerlingen worden hierdoor niet goed opgeleid voor deze 21ste eeuw. Er is nog heel veel te doen.

Deze blog is gedeeltelijk een reactie op de blog van Marijke Kaatee en is eerst verschenen op mijn Edublog.

Op mijn blog Nederlands en Mediawijsheid moeten trouwen en op de variant op dit Blogcollectief Onderzoek Onderwijs waarin Nederlands als een sultan in een harem werd beschreven, kwamen veel reacties. Veel reacties vonden ook dat Online Tekstbegrip aandacht moet krijgen in het onderwijs. Maar waar dan? Daar waren we het niet altijd eens: is het een onderdeel van taalbeleid schoolbreed, is het een onderdeel van Mediawijsheid of hoe zit het eigenlijk. Hier wil ik wat verder op doordenken.

Een van de reacties was van Margreet vd Berg die zei dat “mediawijsheid geen huwelijk aangaat met Nederlands, maar dat mediawijsheid er een harem op na gaat houden”. Hierdoor geinspireerd ben ik de relatiemogelijkheden verder gaan onderzoeken en kwam op de blog op Blogcollectief Onderzoek Onderwijs tot de variant Nederlands als sultan in de harem. Een tweede interessante reactie is van Marijke Katee op het Blogcollectief Onderwijs en Onderzoek waarin zij stelt dat tekstbegrip en taalbeleid geïntegreerd zou moeten zijn in alle vakken. Hier ben ik het mee eens. Maar zij stelt ook dat wij de manier waarop wij al leesstrategieën aanleren bij Nederlands ook kunnen gebruiken bij online teksten en dat het een kwestie is van andere teksten gebruiken. Daar ben ik het geheel niet mee eens. Nederlands besteedt nog geen aandacht aan online tekstbegrip, maar weet ook niet hoe dat moet. En dat is niet hetzelfde doen, maar dan met online teksten. Zoals ik al eerder betoogde zijn online teksten fundamenteel anders dan lineaire teksten op papier.

In principe vind ik dat tekstbegrip een fundamentele vaardigheid is die overal aandacht moet krijgen. Dat betekent dat we nog meer energie moeten steken in taalbeleid op school. Mijn ervaring van de laatste 20 jaar en ook recent bij het kijken naar de problemen die het op mijn eigen school geeft om dat voor elkaar te krijgen, zorgt ervoor dat ik zeg: Ja, het is een onderdeel van taalbeleid, maar het moet primair aandacht krijgen bij Nederlands, waar tekstbegrip een domein / vakonderdeel is. Een tegenargument is dat er door de doorgeschoten systeemscheiding op het VO waar de scheiding van de vakken nog heel groot is, er geen transfer zal zijn. Ook dat is waar, maar we moeten ergens beginnen.

Waarom ik het vak Nederlands benadruk is, omdat binnen dat vak geen enkele aandacht is voor online teksten en online tekstbegrip, noch in de eindtermen en referentieniveaus, noch in de toetsen en lesmaterialen. Binnen de voorstellen van Informatievaardigheden wordt ten onrechte gedacht dat we het begrijpen van online teksten als preliminaire vaardigheid kunnen beschouwen. Dit is een misverstand. De aandacht gaat bij Mediawijsheid vooral uit naar goed zoeken, beoordelen van bronnen, communiceren online en privacykwesties. Dit vind ik allemaal ook heel belangrijk en daarbij zouden Mediavaardigheid en Nederlands veel meer samen moeten werken. Daarover later meer.

Verder is er nog veel meer te doen bij Nederlands om de leerlingen voor te bereiden op het worden van een kritische burger in de digitale wereld. Een paar voorbeelden. Bij het onderdeel Documenteren (wordt in schoolboeken vaak apart gezet) aandacht besteden aan zoeken en beoordelen van bronnen. Bij het onderdeel Argumenteren en Kritisch lezen ( vaak ook als aparte cursus in schoolboeken) aandacht besteden aan Kritische lezen en Redeneren. Bij Schrijven aandacht besteden aan online schijven / communiceren ( het is een gotspe dat leerlingen nog steeds alleen maar sollicitatiebrieven leren schrijven op de ouderwetse manier). etc.

Een ander punt is dat ik het gevaarlijk zou vinden als informatievaardigheden en mediawijsheid nieuwe vakken gaan worden en dan ergens daarbinnen online tekstbegrip een plaats heeft. Het is onduidelijk wie dat vak zou gaan geven en of hij/zij expertise heeft in (online) tekstbegrip.

Eigenlijk vind ik dat alles dat wordt gedaan bij mediawijsheid in brede zin ( dus ook online tekstbegrip) uiteindelijk ook geïntegreerd zou moeten worden aangepakt.
Dit lijkt in tegenspraak te zijn met dat ik het aanleren van online tekstbegrip een primaire taak van Nederlands noemde. Maar dat vind ik niet. Er is sprake van parallelle processen. Ik vind dat (online) tekstbegrip en het onderwijs daarin bij Nederlands het meeste aandacht en tijd zou kunnen krijgen. En dat daar de expertise op het gebied van tekstbegrip zou moeten worden gevonden. Ik geeft toe dat dat misschien soms een te zonnige blik op de expertise van de collega’s Nederlands is. Maar expertise op het gebied van Online Tekstbegrip moet nog worden aangeleerd.
Daarna en daarnaast moet het natuurlijk aandacht krijgen in alle vakken. Dat is taalbeleid.

Eigenlijk vind ik dus dat Online Tekstbegrip snel aandacht moet krijgen in het onderwijs, dat we, kijkend naar de praktijk, Nederlands hier eerst op moeten aanspreken. Verder ben ik van mening: er moet veel meer energie worden gestoken in taalbeleid. Ik heb gezegd.

Jeroen Clemens

Ik ben docent Nederlands op het VO en onderzoeker. Op dit moment ben ik bezig met een promotieonderzoek naar Online Tekstbegrip (zie deze berichten). Met beide petten op ben ik erg geïnteresseerd in discussies over vaardigheden die leerlingen moeten hebben om te kunnen functioneren in onze digitale kennismaatschappij.

Marcel Kesselring schrijft op Frankwatching een interessante blog Scholen en (social) mediawijsheid: hoe stoppen we de digitale kloof, waarin hij scholen oproept meer en beter aandacht te besteden aan wat hij noemt ” (social) mediawijsheid. Met de teneur van het betoog ben ik het helemaal eens, maar er mist wat in de redenering en in de discussie over de nieuwe vaardigheden die leerlingen zouden moeten hebben. Ook denk ik dat de terminologische verwarring en concurrentiestrijd een gezamenlijk optrekken om het onderwijs beter te maken in de weg zit.

We zijn het er over eens dat de huidige maatschappij een kennismaatschappij is geworden, waarbij de meeste informatie digitaal wordt gedeeld (Voogt & Roblin, 2010). De meeste informatie halen we van internet en leren gebeurt veel online. Leerlingen gebruiken internet als voornaamste bron voor informatie voor werkstukken en andere schoolse taken (Beljaarts, 2006). Op allerlei niveaus wordt hierbij benadrukt dat het aanleren van vaardigheden om met de digitale informative om te gaan een heel belangrijke opdracht is van het onderwijs (Brand-Gruwel, 2012; EU High Level Group of Experts on Literacy, 2012; European Commission, 2008).

Een belangrijke vaardigheid is het begrijpen van teksten online, online tekstbegrip. Dit is een vaardigheid die in de discussies die er zijn over informatievaardigheden en mediawijsheid niet als zodanig aan bod komt. Het wordt niet onderkend als probleem of onder de mat van mediavaardigheden en informatievaardigheden geveegd en krijgt hierdoor nauwelijks aandacht in het onderwijs. Dit is zeer te onrechte. Het onderwijs moet daar aandacht aan besteden, te beginnen bij het vak Nederlands.

Marcel Kesselring geeft zeven basisvaardigheden aan die (Basisschool)leerlingen van de 21ste eeuw zouden moeten beheersen. Een daarvan is ‘digitale geletterdheid’, gedefinieerd als ” persoonlijke informatiestrategie ontwikkelen om op een kritisch zinvolle wijze de toevloed aan digitale informatie te kunnen beheersen”. Ondanks de hardnekkige mythe van de digital natives (Bayne & Ross, 2007), die nog te vaak in de hoofden van docenten zit, constateren we binnen het onderwijs dat leerlingen vaak niet goed in staat zijn om met digitale informatie om te gaan (Walraven, Brand-Gruwel, & Boshuizen, 2008). Een belangrijke vaardigheid hierbij is het begrijpen van digitale informatie, online tekstbegrip. Er is anekdotisch bewijs van docenten, die zien dat leerlingen hierin falen en een groeiende hoeveelheid wetenschappelijk bewijs dat aantoont dat leerlingen problemen hebben met online teksten.

In 2006 heeft PISA het tekstbegrip onderzocht van jongeren, voor het eerst zowel het begrijpen van offline (papieren) teksten als van online teksten. Een online tekst is in PISA 2009 een synoniem van een hypertekst, een tekst of teksten die met elkaar verbonden zijn via links waardoor de lezer van de ene tekst of tekstdeel naar het andere kan gaan (OECD, 2011). Deze vorm van tekst is dominant op internet. Uit dit PISA onderzoek blijkt dat veel leerlingen niet goed zijn in het begrijpen van online teksten. Gemiddeld 17 % van de 15 jarige leerlingen scoort op of onder het laagste niveau op de online-tekstbegriptest. Dit is zorgwekkend. Ook blijkt dat het goed scoren op de andere, offline test, dus het begrijpen van lineaire, meestal papieren teksten niet altijd een goede voorspeller is voor de vaardigheid teksten online te begrijpen.

De onderzoekers van een grootschalig onderzoek in de USA, Online Reading Comprehension Assessment (ORCA) trekken dezelfde conclusie dat er grote problemen zijn met online tekstbegrip (Coiro & Kennedy, 2011). De vaardigheid om online teksten te begrijpen is niet dezelfde als de vaardigheid offline teksten te begrijpen. Dit werd trouwens al een decennium geleden geconstateerd in een rapport van de Reading Studygroup in 2002 “[E]lectronic texts that incorporate hyperlinks and hypermedia . . . require skills and abilities beyond those required for the comprehension of conventional, linear print”. Er zijn meer resultaten van onderzoek die aangeven dat “Traditional conceptions of reading comprehension may no longer be sufficient in online reading contexts.(…)” (Coiro, 2011).

Het onderwijs besteedt nog geen aandacht aan online tekstbegrip. Hier zie ik een duidelijke rol voor de docent Nederlands. Tekstbegrip is in het VO een taak van de docent Nederlands. Het staat expliciet in de eindtermen en de kerndoelen van het vak. Ook vraagt de overheid dat het onderwijs meer aandacht besteedt aan tekstbegrip.

Een van de oorzaken van de problemen met online tekstbegrip is dat online teksten heel andere kenmerken hebben dan offline teksten. Er is dus sprake van nieuwe tekstsoorten. Een paar belangrijke verschillen zijn dat (1) online teksten niet lineair zijn opgebouwd. Het is geen tekst met inleiding, kern en slot, zoals we op school leren, (2) online teksten vaak niet een tekst zijn, maar een cluster van teksten of tekstdelen, verbonden via hyperlinks, (3) er nieuwe tekstsoorten zijn als websites, blogs en tweets, met hun eigen kenmerken, (4) teksten vaak online en in samenwerking worden geschreven, (5) online teksten meestal multimediaal en multimodaal zijn en (6) online teksten snel veranderen (OECD, 2011).

Een tweede oorzaak van de genoemde problemen is dat de online tekstbegrip ook andere en soms complexere vaardigheden vraagt dan offline tekstbegrip, bijvoorbeeld navigatievaardigheden, kennis van nieuwe tekststructuren en kunnen omgaan met multimedia (Coiro, Knobel, Lankshear, & Leu, 2008; Rouet, Lowe, & Schnotz, 2008).

Een derde verklaring ( niet wetenschappelijk onderzocht, meer een gut-feeling van mij) zou de verschrikkelijke terminologische verwarring kunnen zijn die er heerst ( Mediawijsheid, Informatievaardigheden, 21st century skills, ICT-vaardigheden, online tekstbegrip, …). Ik heb er in een van mijn blogs al eerder wat over gezegd. Onduidelijkheid geeft verlamming. Naast terminologische verwarring lijken er ook vormen van territoriumdrift te heersen: “Het is dit en van mij, het is dit en van mij”. Onduidelijkheid levert nooit veel verbetering op en veel verschillende hokjes zorgen voor systeemscheiding waarvan we weten dat dat het onderwijs niet verder brengt.

In het VO wordt tekstbegrip onderwezen bij het vak Nederlands. Het blijkt dat er bij het aanleren van tekstbegrip geen aandacht wordt besteed aan online teksten en aan de nieuwe vaardigheden om met deze teksten om te gaan. We zien dat er in de eindtermen Nederlands nergens sprake is van aandacht voor online teksten en online tekstbegrip, ook in de Concretisering Referentieniveaus Nederlands wordt er bij leesvaardigheid geen melding gemaakt van online teksten en tekstbegrip (Meestringa, Ravesloot, & Vries, 2010), in de lesmethodes, in de toetsen en de examens wordt er geen gebruik gemaakt van online teksten en ook in het onderzoek gericht op het vak Nederlands is tot aan 2008 geen onderzoek naar online teksten en online tekstbegrip (Bonset en Braaksma, 2008). Ook In de vaktijdschriften en de vakcommunity Nederlands wordt nog niet gepraat over online tekstbegrip en de taak van de docent Nederlands daarbij.

Gelukkig begint de interesse wat toe te nemen. Ik heb in 2011 en 2012 ( in 2011 samen met Amber Walraven), op de conferentie Het Schoolvak Nederlands een keynote / presentatie verzorgd over online tekstbegrip / informatievaardigheden, waar veel interesse voor was (Clemens & Walraven, 2011). In mijn presentatie van 2012 was er een intensieve discussie over dit onderwerp. Ook zien we recent dat hier en daar informatie- en onderzoeksvaardigheden als losse, ondersteunende vaardigheden worden geïntroduceerd in schoolboeken voor het vak Nederlands. Maar er is geen samenhang / integratie tussen deze cursussen / hoofdstukken en de vaardigheid leesvaardigheid / tekstbegrip. Op basis van de eerste versie van deze blog op mijn eigen weblog ben ik wel benaderd door een uitgever om eens te komen praten (zie reactie op eerdere blog). Allemaal goede, maar nog heel kleine ontwikkelingen en nog lang geen mainstream.

We zien wel activiteiten vanuit andere disciplines. Er wordt onderzoek gedaan naar informatievaardigheden (Brand-Gruwel, 2006; Walraven, 2008) en Mediavaardigheden. Brand-Gruwel et al (Brand-Gruwel, Wopereis, & Walraven, 2009) hebben een model ontwikkeld voor Information Processing using Internet (IPS-1 model). Het model gaat uit van de gedachte dat een internetgebruiker een vraag (informatieprobleem) heeft, op zoek gaat naar informatie, dit verwerkt en daarna er iets mee doet. Dit model lijkt sterk op de definitie van Leu et al van Online Tekstbegrip (Online Reading Comprehension) “a web-based inquiry process involving skills and strategies for locating, evaluating, synthesizing, and communicating information with the Internet” (Leu et al., 2008). Dit zou in Nederland tekstbegrip heten. Dit IPS-i model komt sterk ook overeen met het binnen het vak Nederlands al heel lang gehanteerde model van taalvaardigheid met de fasen Verwerven, Verwerken en Verstrekken (Griffioen, 1975).

In het IPS-i model krijgt het tekstbegripsaspect geen expliciete aandacht. In dit model is tekstbegrip (in het model reading skills) bij het hele IPS proces een ondersteunende vaardigheid, die als bekend wordt verondersteld. Maar online tekstbegrip is niet bekend, noch wordt het beheerst. Er valt dus een bodem onder het model uit.

Natuurlijk is het van groot belang dat online tekstbegrip bij alle vakken geïntegreerd aandacht zou krijgen. Zie het commentaar van Steven Verjans en mijn reactie daarop in mijn eerdere blog. Dit is een opdracht die we ook met tekstbegrip van offline teksten hebben en die we proberen te bereiken in onze pogingen tot taalbeleid. Maar de start is Nederlands, net zoals we dat doen met offline tekstbegrip.

Ten slotte denk ik dat het geen goede weg is om losse cursussen informatievaardigheden te gaan geven, omdat de transfer tussen losse cursussen altijd erg laag is. Dus Nederlands, Informatievaardigheden en Mediawijsheid zouden moeten trouwen. Of, zoals Margreet zegt in haar reactie, een harem moet vormen. Met voor online tekstbegrip Nederlands als sultan. Laten we gaan daten! Ik sta er klaar voor.

Jeroen Clemens 

_______________________________

[noten]

1. Deze blog is een iets veranderde versie van een blog die ik op mijn eigen edublog heb gepubliceerd. Er zijn inmiddels veel reacties op verschenen. Lees deze ook

2. De volgende ronde van mijn promotieonderzoek is een survey onder docenten Nederlands. Als je interesse daarvoor hebt, geef je dan als belangstellende op.

Referenties

Bayne, S., & Ross, J. (2007). The ‘digital native’and “digital immigrant”: a dangerous opposition. Education (SRHE).

Brand-Gruwel, S. (2006). Integration of the information problem solving skill in an educational programme: The effects of learning with authentic tasks. Tech. Inst. Cognition and Learning, 4, 243–263.

Brand-Gruwel, S. (2012). Leren in een digitale wereld: uitdagingen voor het onderwijs. Open Universiteit, 1–40.

Brand-Gruwel, S., Wopereis, I., & Walraven, A. (2009). A descriptive model of information problem solving while using internet. Computers & Education, 53(4), 1207–1217.

Clemens, J., & Walraven, A. (2011). Aandacht voor digitale geletterdheid: een nieuwe uitdaging voor het onderwijs. Presented at the 25ste Conferentie Het Schoolvak Nederlands. Retrieved from http://taalunieversum.org/onderwijs/conferentie_het_schoolvak_nederlands/bundels/

Coiro, J. L. (2011). Predicting Reading Comprehension on the Internet: Contributions of Offline Reading Skills, Online Reading Skills, and Prior Knowledge. Journal of Literacy Research, 1–42.

Coiro, J. L., & Kennedy, C. (2011). The Online Reading Comprehension Assessment (ORCA) Project: Preparing Students For Common Core Standards and 21st Century Literacies. Internal Publication the ORCA Project New Literacies Research Team.

Coiro, J. L., Knobel, M., Lankshear, C., & Leu, D. J. (2008). Central issues in new literacies and new literacies research. In Handbook of Research on New Literacies. Lawrence Erlbaum Associates, Taylor & Francis Group.

EU High Level Group of Experts on Literacy. (2012). Final Report, September 2012 (p. 120). Luxembourg: Publications Office of the European Union.

European Commission. (2008). Digital Literacy

Griffioen, J. (1975). Zeggen-schap. Grondslagen en een uitwerking van een didactiek van het Nederlands in het voortgezet onderwijs. Tjeenk Willink Wolters Noordhoff.

International Reading Association. (2009). New literacies and 21st century technologies: A position statement of the International Reading Association. Newark, DE

Leu, D. J., Coiro, J. L., Castek, J., Hartman, D. K., Henry, L., & Reinking, D. (2008). Research on instruction and assessment in the new literacies of online reading comprehension. Comprehension Instruction: Research-Based Best Practices, 321–346.

Meestringa, T., Ravesloot, C., & Vries, H. de. (2010). Concretisering referentieniveaus schrijven lezen VO, 1–124.

OECD. (2011). PISA 2009 Results: Students On Line (Vol. VI, p. 395). OECD Publishing.

Rouet, J.-F., Lowe, R., & Schnotz, W. (2008). Understanding Multimedia Documents. (J.-F. Rouet, R. Lowe, & W. Schnotz, Eds.). Boston, MA: Springer US.

Voogt, J., & Roblin, N. P. (2010). 21st Century Skills. Discussienota Zoetermeer: Kennisnet.

Walraven, A. (2008, December 19). Becoming a critical websearcher. Open Universiteit Nederland.

Walraven, A., Brand-Gruwel, S., & Boshuizen, H. P. (2008). Information problem solving a review of problems students encounter and instructional solutions. Computers in Human Behavior, 24, 623–648.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.427 other followers

%d bloggers like this: