Archief

Auteursarchief:

door Casper Hulshof

Dit is een bewerkte versie van mijn bijdrage aan de Onderwijskunde in Utrecht blog.

Al is het ook in de uitgeverswereld crisis, er is gelukkig nog ruimte om zo nu en dan een nieuw wetenschappelijk tijdschrift te starten. Een voor het onderwijs mogelijk interessant nieuw tijdschrift heeft als titel Trends in Neuroscience in Education. Het gaat over nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot het toepassen van kennis uit de neurowetenschappen in het onderwijs. De trotse hoofdredacteur Manfred Spitzer verdedigt in de inleiding van het eerste nummer zijn stelling ‘To understand learning is to understand the brain’. Hij geeft toe dat neurowetenschap eigenlijk nog maar aan het begin staat. Maar net zoals gebrek aan kennis de gebroeders Wright er niet van weerhield om te proberen een provisorisch vliegtuig te bouwen, zo moeten ook onderwijsonderzoekers vooral pogingen doen de grenzen van de kennis op te zoeken. Hij waarschuwt voor te grote stappen in één keer (een kwaliteit waar met name beleidsmakers in uitblinken) maar betreurt het dat er vaak wat lacherig over het vertalen van fundamenteel onderzoek naar concrete toepassingen wordt gedaan. Dit tijdschrift is met een stevige ambitie opgezet.

De thema’s van de artikelen in het eerste nummer zijn vrij traditionele onderwijsonderwerpen: dyslexie, studiemotivatie, getallenkennis… maar de insteek is wel anders dan normaal. Dat komt duidelijk naar voren in een van de eerste artikelen, dat gaat over ‘embodied cognition’. De titel is “Embodiment theory and education: The foundations of cognition in perception and action”. Auteurs Markus Kiefer en Natalie Trummp zijn verbonden aan de Universiteit van Ulm in Duitsland. ‘Embodiment’ is het idee dat je denken niet los kunt zien van het lichaam waarin dat denken plaatsvindt. Dat is anders dan de ‘standaard’-psychologie, waarin geest en lichaam zorgvuldig van elkaar gescheiden zijn. Een korte uitleg.

Misschien ken je het ‘brain in a vat’-gedachte-experiment wel (in het Nederlands ‘Hersenen in een vat‘). Het is de gedachte dat je de hersenen los in een vat zou kunnen bewaren. Alle sensaties worden gesimuleerd. Het filosofische aspect zit hierin dat niemand van ons zeker weet dat hij geen stel hersenen in een vat is. Heel Descartiaans, allemaal. De cognitieve psychologie vormt in zekere zin een meer conceptuele variant van dit experiment: ons denken (cognitie) staat los van het medium waarin die cognitie plaatsvindt. De geest als software van het brein (de hardware) als het ware.

Wij zijn ons brein, zegt Dick Swaab. Maar wij zijn niet alleen ons brein, wij zijn ons lichaam. Sommigen zeggen: je moet met het lichaam, en met name de zintuigen, rekening houden als je iets over de werking van onze hersenen wil weten. Dat zijn de aanhangers van ‘embodied cognition’. Zij zeggen: onze zintuigen maar ook onze ledematen bepalen voor een deel onze cognitie, die daarmee dus ‘embodied’ is.

Raar idee? Ja en nee. Als je ‘s nachts wakker wordt weet je zonder te bewegen waarschijnlijk feilloos waar je armen zich bevinden (probeer het eens!). Dat vermogen wordt proprioperceptie genoemd. Proprioperceptie is wat dat betreft een zesde zintuig. Daarnaast blijkt onze lichaamshouding invloed te hebben op onze mentale ‘getallenlijn’. Consequentie: mensen die naar links leunen schatten de hoogte van de Eiffeltoren lager in dan mensen die naar rechts leunen. Dat onderzoek werd overigens bekroond met een Ignobel-prijs – voor onderzoek waar je om moet lachen, maar dat ook aan het denken zet.

Wat heeft het onderwijs aan kennis over embodied cognition? Het artikel van Kiefer en Trumpp gaat daar over. De auteurs gaan in op verschillende vormen van ‘embodiment’: bij lezen en schrijven, bij geheugen voor gebeurtenissen, en bij conceptueel geheugen van objecten en getallen. Met name wat zij zeggen over lezen en schrijven is interessant voor het talenonderwijs. De auteurs tonen aan dat leren schrijven met de hand een beter geheugen voor de vorm van letters oplevert dan typen. Dat wordt verder ondersteund door gegevens uit ander artikel in hetzelfde tijdschrift (van James en Engelhardt).

Nu weet ik dat schrijven met de hand als activiteit op scholen langzamerhand naar de achtergrond verdwijnt. Heel normaal, volgens sommige juffen (getuige dit journaalitem van 2 februari jl.), maar eigenlijk niet zo handig, dus. Met de hand leren schrijven levert meer letter- en tekstbegrip op dan typen.

De andere onderwerpen in het artikel zijn ook interessant, maar meer zijdelings gerelateerd aan onderwijs. Het blijkt bijvoorbeeld zo te zijn dat het lezen van een woord dat met geluid geassocieerd is (‘telefoon’) tijdens het lezen ervan die sensorische hersengebieden activeert die met het daadwerkelijk horen van een telefoon te maken hebben. Voor het lezen over acties geldt hetzelfde: die brengen activatie in de motorische hersenschors teweeg. Tenslotte laat onderzoek naar ons conceptuele geheugen voor getallen zien hoe belangrijk het leren tellen met de vingers is voor een beter begrip van cijfers: hoe je als kind omgaat met het tellen op je vingers blijkt invloed te hebben op je gevoel voor getallen als volwassene! Het zijn fascinerende inkijkjes in een vakgebied dat nog een lange weg te gaan heeft, maar nu al tot toepassingen in het onderwijs kan leiden.

Al met al is Trends in Neuroscience and Education veelbelovend van start gegaan. Ik zal dit tijdschrift in de gaten houden. Als het onderzoek relevant is voor de onderwijspraktijk, dan zal ik daar zeker over rapporteren.

Bronnen

James, K.H., & Engelhardt, L. (2013). The effects of handwriting experience on functional brain development in pre-literate children. Trends in Neuroscience and Education, 1, 32-42. http://dx.doi.org/10.1016/j.tine.2012.08.001

Kiefer, M., & Trummp, N.M. (2013). Embodiment theory and education: The foundations of cognition in perception and action. Trends in Neuroscience and Education, 1, 15-20. http://dx.doi.org/10.1016/j.tine.2012.07.002

Toelichting: Onderstaande tekst werd oorspronkelijk geschreven door Michiel Couzijn (Instituut voor de Lerarenopleiding, UvA) in 2005. Ik heb het tekstueel enigszins aangepast en geschikt gemaakt voor het format van deze blog.

Kort en zonder uitleg:

  • Bereken eerst de score voor elk gemaakt werk
  • Maak een keuze met betrekking tot de cesuur (dat is: de te behalen score voor het cijfer 6)
  • Maak keuzes met betrekking tot de scores die horen bij respectievelijk het cijfer 10 en bij het cijfer 1
  • Werk een normeringstabel uit, waarin je scores koppelt aan cijfers en waarbij deze koppeling van 1 tot 6 en van 6 tot 10 gelijkmatig oploopt

Voor een toets met 20 vragen (en een mogelijke score van 0 tot 20 punten) volgen hier twee voorbeelden, A en B. In voorbeeld B ligt de eis voor de cesuur hoger (14 punten nodig voor een cijfer 6) maar is ook de kans om een 10 te halen iets hoger.

Cesuren

Voorbeeld A is kort te omschrijven als “Twee fouten betekent 1 punt eraf.” Voorbeeld B kun je omschrijven als “Score 14 ot 19: 1 fout is 0,8 punt eraf; Score 4 tot en met 13: 1 fout is 0,5 punt eraf.” In het eerste geval telt elke fout dus even zwaar, ongeacht het aantal gemaakte fouten, in het tweede geval worden de eerste fouten zwaarder aangerekend dan latere fouten.

 

Lang en met uitleg:

Wie onderwijs geeft moet het resultaat deugdelijk toetsen. Als docent wil je immers te weten te komen of je onderwijs succes had. Je leerlingen willen weten hoe ze het er van af brachten in de ogen van de docent. Goed, daar zit je dan met je pak leerlingwerk op het bureau: tekstverklaringen, een stapel opstellen, een set boekverslagen of wat dan ook. Hoe bepaal je dan de schoolcijfers?

Er zijn twee belangrijke stappen te nemen: de scoring en de normering.

De scoring bestaat eruit dat je bepaalt op grond van welke criteria leerlingen punten kunnen verdienen, gevolgd door toepassing van die criteria op elk gemaakt werk. Bij een schrijftoets kunnen de criteria bijvoorbeeld zijn: opbouw en overtuigingskracht. Of correct taalgebruik (bijvoorbeeld het aantal grammaticale en spelfouten). Of opbouw, originaliteit en correct taalgebruik. Het hangt er maar net van af wat je hebt onderwezen, en waarop je de leerlingen (deze keer) wilt afrekenen. Van belang is wel dat leerlingen van te voren – dus voorafgaand aan de toetsing – weten waarop ze worden beoordeeld, zodat ze daar rekening mee kunnen houden. Het is vrij zinloos leerlingen te onderwijzen in tekstopbouw en hen een schrijfopdracht daarover te laten maken, en die dan te beoordelen op ‘originaliteit’ als ze niet van tevoren wisten dat dit aspect ook zou meewegen.

Bij een tekstverklaring bestaat de scoring er bijvoorbeeld uit dat je bepaalt hoeveel punten de leerlingen bij elke vraag kunnen verdienen, of er een aftrekregeling geldt voor incorrect taalgebruik, of er bonusvragen zijn enzovoort. Opnieuw: dit hoor je voorafgaand aan, of bij de toets zelf te vermelden. Het is zinloos – en oneerlijk – om een vraag achteraf als ‘bonusvraag’ te benoemen omdat-ie te moeilijk of verkeerd gesteld bleek. Zo’n slechte vraag moet je gewoon weglaten uit je scoring (hij had natuurlijk niet eens in de toets moeten zitten…)

Bij een spreekbeurt (moderner: presentatie) is het eveneens van belang leerlingen te informeren hoe ze punten kunnen verdienen, en waarop ze dus moeten (leren) letten bij het voorbereiden en houden van hun verhaal voor de klas. Stemgebruik? Contact met publiek? De inhoud van hun verhaal? Gebruik van media? Het ligt voor de hand dat de keuze van de criteria zijn weerslag heeft op de instructie die je geeft, de aandacht die leerlingen bij de opdracht aan bepaalde aspecten geven, en wat er dus feitelijk geleerd zal worden. Toetsen = onderwijzen = leren.

Uit de toepassing van de gekozen criteria op elk gemaakt werk (of elke gegeven presentatie) volgt dan een score. Een score is iets anders dan een schoolcijfer. Wie twintig woordjes overhoort in een s.o. en een punt toekent per correct antwoord, heeft in feite een toets met een maximale score van 20 punten. Wie slechts tien woordjes overhoort, heeft een toets met een maximale score van 10 punten. In het laatste geval heb je dus echt niet te maken met schoolcijfers (van 1 t/m 10) maar met scores van 0 tot 10. Een toets kan elke denkbare reikwijdte en maximumscore hebben: van 0 tot 10, van 5 tot 100, van 0 tot 43, van 1 (voor het opschrijven van je naam) tot 17½ , van 500 tot 550 (zoals bij de CITO-toets basisonderwijs), enzovoort.

Hoe kom je nu aan schoolcijfers op basis van de behaalde scores? De omzetting van scores naar schoolcijfers heet de normering. Bij een normering moeten een aantal arbitraire keuzes gemaakt worden. Dat ze arbitrair zijn, betekent dat de verantwoordelijkheid voor die keuzes op de schouders van de docent rust, dat hij/zij zich dus de aard en het belang van die keuzes moet realiseren, en de gemaakte keuzes moet kunnen verantwoorden. Er bestaan geen objectieve criteria voor deze keuzes. Wel bestaan er tal van onzin-opinies over:

  • “Je moet 25% onvoldoendes hebben” – alsof het niks uitmaakt of de klas goed of slecht heeft gewerkt c.q. geleerd, en alsof jouw onderwijs nooit succesvol of juist ineffectief kan zijn.
  • “60% goed is een zes” – alsof je geen hogere of lagere eisen zou kunnen stellen, en alsof elke toets precies even moeilijk is.
  • “Alleen een maximumscore is een 10” – alsof alléén een foutloze toets het predikaat ‘uitmuntend’ verdient.
  • “Voor dit werk kunnen leerlingen nooit een 10 krijgen, want het resultaat is nooit perfect” – alsof jij leerlingen hebt geleerd hoe ze ‘perfect’ kunnen presteren (en alsof jij dat zelf als expert per definitie wél kunt!)

De te maken keuzes komen in het algemeen neer op het bepalen van de cesuur en van de scores die horen bij het cijfer 10 en het cijfer 1.

Wat de cesuur betreft, moet je kiezen welke score je ‘voldoende’ noemt. Dit is de allerbelangrijkste vraag die je jezelf moet stellen: het antwoord bepaalt namelijk hoe tevreden jij zult zijn – en de leerlingen zullen zijn – met de geleverde prestaties, hoeveel onvoldoendes er zullen vallen, hoeveel bespreekgevallen er zijn op de rapportvergadeing enzovoort. Heel belangrijk dus. Je baseert je antwoord op een schatting van het vereiste niveau en de door leerlingen in redelijkheid te leveren inspanning om dat niveau te bereiken. Met andere woorden: was de toets gemakkelijk of moeilijk voor deze klas? En wat zou, gezien de voortgang die je met deze klas moet boeken, hun gemiddelde score nu moeten zijn? Voor het maken van zulke keuzes is deskundigheid en ervaring nodig. Schroom dus niet om als beginnend docent hier hulp van collega’s in te roepen.

Stel dat je een s.o. hebt gegeven over twintig woordjes en je geeft elk goed antwoord 1 punt. Dan is je maximumscore 20 en je minimumscore 0. Welke prestatie vind je nu ‘voldoende’ in de zin van ‘kan er net mee door’? 10 woordjes goed (snel tevreden)? 12 woordjes goed? 16 woordjes goed (hoge eisen)? Er is hier geen fout antwoord. De hoogte van de te stellen eis is geheel aan jou (en je vakcollega’s) ter bepaling. In het algemeen geldt hierbij: lage eisen kunnen leiden tot gemakzucht bij sommige leerlingen en (herstel van) zelfvertrouwen bij anderen; hoge eisen kunnen leiden tot demotivatie bij sommigen en juist werklust bij anderen. Hierbij zijn dus pedagogische en curriculaire afwegingen in het geding.

Laten we zeggen dat je met 14 goede antwoorden van de 20 vragen tevreden bent (de cesuur, een ‘6’). De volgende vraag is: welke prestatie noem je ‘uitmuntend’ en beloon je dus met het cijfer 10? Moet de toets daartoe perfect gemaakt zijn (score 20 = cijfer 10) of mogen de leerlingen toch een of twee steken laten vallen (bijv. score 19 = cijfer 10)? Ook dit zijn allebei arbitraire beslissingen; er is geen reden de eerste keuze ‘normaal’ en de tweede ‘een uitzondering’ te noemen. Het is ook motiverend voor sommige leerlingen als de 10 eerder binnen hun bereik ligt. Hetzelfde geldt voor het cijfer 1. Bij welke score vind je dat de leerling geen noemenswaardige prestatie heeft geleverd? Wie een 20-item-meerkeuzetoets geblinddoekt maakt, heeft meestal toch 5 vragen goed zonder van enige kennis van zaken blijk te geven. Als ik morgen een 100-item-toets maak over ‘de orbitaaltheorie van Newton’ – of een ander onderwerp waar ik niets van weet – heb ik toch mooi 25 vragen goed! Die prestatie verdient dan geen beloning ten opzichte van iemand die meer pech had dan ik en op 15 of 20 goede vragen uitkwam. Deze blinde-gok-scores verdienen dus allemaal het schoolcijfer 1.

Sterker nog, de laagste scores zijn doorgaans het resultaat van een combinatie van blind gokken en ‘test wiseness’: de slimheid die leerlingen hebben ontwikkeld op het gebied van het maken van toetsen. Zo zijn sommige afleiders van een meerkeuzevraag zichtbaar te idioot geformuleerd om goed te wezen, of is een antwoord zoveel langer of duidelijker geformuleerd dan de andere dat het op het oog al meer kans maakt correct te zijn. Voor het goede antwoord op vraag c) hieronder hoef je ook niet te kunnen rekenen:

a) 5 appels min 2 appels = ….. appels

b) 8 appels min 4 appels = ….. appels

c) 7 appels min 6 appels = ….. appel (nota bene: authentiek voorbeeld!)

Kortom, er is meer dan één reden om de score voor het cijfer 1 niet te laag te stellen. En we hebben de cijferschaal van 1 tot 10 niet voor niets: een goede docent is niet bang de hele schaal te gebruiken als hij van mening is dat er onder de leerlingprestaties zowel ‘slechte’ als ‘uitmuntende’ prestaties voorkomen.

Het scoregebied boven de cesuur toont hoeveel beter de prestatie is dan ‘voldoende’. De koppeling van dat scoregebied aan de cijferschaal moet bij voorkeur gelijkmatig ofwel evenredig zijn. Stel dat de cesuur van een toets op 14 punten ligt. Een leerling met een score van 18 punten is dan twee keer zo ver verwijderd van een ‘voldoende’ als een leerling met een score van 16 punten, namelijk 4 respectievelijk 2 scorepunten. Het ligt voor de hand dit tot uitdrukking te brengen in het cijfer: de meerwaarde in het cijfer moet dan ook twee keer zo groot zijn. De leerling met score 18 kan dan bijvoorbeeld het cijfer 8 krijgen (meerwaarde: 2 cijferpunten) en de leerling met score 16 bijvoorbeeld het cijfer 7 (meerwaarde: 1 cijferpunt). Een andere mogelijkheid: de leerling met 18 scorepunten krijgt het cijfer 8,6 (meerwaarde: 2,6 cijferpunten) en de leerling met 16 scorepunten het cijfer 7,3 (meerwaarde: 1,3 cijferpunten). Beide mogelijkheden zijn goed; de keuze hangt af van welke prestatie je met een ‘10’ wilt belonen. In het eerste geval zou dat de score 22 zijn, in het laatste geval de score 20 (die is dan eigenlijk een 9,9 waard, maar ja, daar maak je natuurlijk een 10 van).

Iets vergelijkbaars geldt voor het scoregebied onder de cesuur: die toont hoeveel slechter de prestatie is dan ‘voldoende’. Je mag ‘hoeveelheid beter’ en ‘hoeveelheid slechter’ best met dezelfde maatstaf uitdrukken (‘punten per fout’), maar dat hoeft niet per se. Dat niet te doen laat je ook vrij om te bepalen welke score je met het cijfer 1 beloont. Stel weer dat je de cesuur van een toets op 14 punten hebt bepaald. Een leerling met score 10 is dan twee keer zo ver verwijderd van een voldoende als een leerling met score 12. Dat kun je in het schoolcijfer uitdrukken door de eerste leerling een 4 te geven (tekort: 2 punten) en de tweede leerling een 5 (tekort: 1 punt). Je kunt het ook doen door de eerste leerling met een 3 te ‘belonen’ (tekort: 3 punten) en de tweede leerling met een 4,5 (tekort: 1,5 punt). In het eerste geval is een score van 4 en lager gekoppeld aan het cijfer 1. In het tweede geval krijgt een leerling al het cijfer 1 bij de score 7 (eigenlijk: 7, 3) en lager. Het laatste geval past beter bij een 20-item-meerkeuzetoets waar leerlingen door blind gokken en wat ‘test-wiseness’ al snel 7 vragen goed hebben zonder kennis van zaken te tonen.

Hoe stel je nu zo’n tabel op waarbij scores en schoolcijfers aan elkaar zijn gekoppeld? Dat is niet moeilijk en vereist alleen wat elementair rekenwerk. Stel, je hebt van een toets met een maximumscore van 40 punten de cesuur gekozen, de 10-score en de 1-score. Dan is dit bijvoorbeeld de situatie:

tabel2

Zo verkrijg je de volgende normeringstabel:

tabel3

Tot zover deze uitleg over het construeren van een normeringstabel. Er blijven enkele discussiepunten over, die ik de lezer ter overweging wil meegeven:

  • Is dit alles niet te veel werk voor een docent?
  • Is deze manier van normeren wel duidelijk en acceptabel voor leerlingen?
  • Waar leg je de cesuur: bij een 6 of bij een 5,5?
  • Wanneer bepaal je de cesuur: vooraf of pas tijdens het nakijken?

Casper Hulshoff

Onderstaande bijdrage is afkomstig van Wilfred Rubens. Het is met toestemming overgenomen onder de Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported license. Het origineel is te vinden op Wilfreds weblog.

Er is een gapende kloof tussen onderwijsonderzoek en de onderwijspraktijk. Hoogleraar Rob Martens haalde vandaag in een keynote hard uit naar de praktijk van onderwijsonderzoek. Gelukkig bood hij ook zicht op een alternatief.

Vandaag vindt de Dag van het Onderwijs bij de Open Universiteit plaats. Tijdens deze dag vindt de verbinding van onderwijs en onderzoek plaats. Hoogleraar Rob Martens verzorgde vanochtend een keynote over “Onderwijsonderzoek: wat heb je er aan?”

Een wat saai onderwerp, aldus Rob. Vanuit liefde voor het vak bekritiseerde hij de praktijk van onderwijsonderzoek in Nederland, en gaf hij aan wat mogelijke alternatieven zijn.

Onderwijs zou evidence-based moeten zijn. Onderwijs zou wetenschappelijk onderbouwd moeten zijn. Dat heeft tot lastige discussies in ons land geleid. Ieder onderwijskundig onderzoek bevat aanbevelingen voor de praktijk. Echter: volgens hoogleraar Theo Wubbels hoeft onderwijswetenschap helemaal niet gericht hoeven te zijn op verbetering van de onderwijspraktijk. Anderen vinden ook dat de kloof tussen onderzoek en praktijk niet aan het onderzoek ligt.

De commissie.Thom de Graaf heeft kritiek geuit op het onderwijsonderzoek: te eenzijdig gericht op publicaties, niet praktijkrelevant, niet bruikbaar, onbetrouwbaar. Docenten zijn aan de andere kant zeer tevreden met zichzelf, en erg in zichzelf gekeerd. Daar kun je dus ook kritiek op geven.

Er is dus een gapende kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk. Pedagogische Studiën wordt bijvoorbeeld nauwelijks gelezen door de onderwijspraktijk. Docenten willen vaak ook niet meer meewerken aan onderwijsonderzoek. Bijvoorbeeld omdat onderzoek overbodig en onbegrijpelijk zou zijn (geven docenten aan die niet mee willen werken aan dit onderzoek).

Onderwijsonderzoek komt ook vaak tot kort door de bocht geformuleerde conclusies. Neem de relatie tussen puberbrein, het kunnen plannen en competentiegericht leren. Deze beweringen zijn overgegeneraliseerd en zijn volgens Martens eigenlijk niet meer dan platgeslagen conclusies.

Volgens Rob is onderwijsonderzoek vaak ineffectief (ivoren toren, conservatisme, duurt lang voordat je wat kunt concluderen, compartimentering oftewel te specifiek gericht op een deelterrein) en onjuist: er is veel angst voor onzekerheid. Onderwijsonderzoekers imiteren te vaak beta-wetenschappers. In onderwijs heb je vaak te maken met zeer complexe situaties die je niet in een laboratorium kunt onderzoeken. Of iets in het onderwijs werkt, hangt vaak van veel factoren af. Tom Reeves stelt daarom: “It depends”.

Onderwijsonderzoekers moeten rekening houden met veel interacties. We proberen de complexe werkelijkheid te veel te reduceren. Er worden vaak hypotheses geformuleerd nadat resultaten bekend zijn geworden. Publicaties worden bijvoorbeeld afgewezen door wetenschappelijke tijdschriften als de uitkomsten niet sporen met heersende opvattingen. Foutieve onzekerheidsreductie is dus een probleem.

Wat te doen? Er zou een gedeeld belang gecreëerd moeten worden. Dus organisatievormen hanteren waarin onderzoekers en praktijkmensen samen onderwijskundig ontwerponderzoek gaan uitvoeren (onderwijsonderzoekcoöperaties). Volgens de OECD zou dat leiden tot duidelijk aantoonbare effecten op onderwijsprestaties. Binnen de Bauhaus-beweging is dat voor een ander vakgebied ook toegepast. De expeditie durven, delen doen is daar ook een voorbeeld van. Daar startte men ook vanuit de praktijk met langere termijn onderzoek.

Cruciaal zijn dan:

  • directe relatie met de dagelijkse praktijk
  • werken aan vernieuwende praktijken (het verhaal achter de data kennen)
  • co-creatie (onderzoeksactiviteiten verankeren in de praktijk)
  • gedeeld belang
  • intrinsiek gemotiveerde betrokkenen

Kennisdelen zou dan een tweerichtingsverkeer moeten zijn, waarbij je bijvoorbeeld sociale media inzet. Martens pleitte voor praktijkgericht wetenschappelijk onderwijsonderzoek, vergelijkbaar met een universitair medisch centrum (patiënten beter maken, en tegelijkertijd onderzoek doen). Daarbij is dan geen sprake van een methodologische rigiditeit. De Onderwijsraad heeft in 2011 bijvoorbeeld gepleit voor een universitair onderwijscentrum.

Een kritische vraag is echter: leidt deze aanpak niet tot te geïsoleerde uitkomsten? Volgens Martens hoeft dat niet het geval te zijn. Hij gaf een voorbeeld van een schoolorganisatie waarin een analyse van de schoolpraktijk gerelateerd wordt aan theoretische concepten op het gebied van motivatie. Een ander alternatief is design-based research.

Zelf mocht ik 2x een workshop verzorgen over het leertraject als innovatieve service.

Het brein is ‘hot’. Kennis uit de neurowetenschappen begint snel — misschien wel te snel — zijn weg te vinden in andere gremia, waaronder het onderwijs. Dat komt voor een deel omdat er een ‘evidence-based’-wind aan het waaien is: goed onderwijs is onderwijs dat vertrekt vanuit wetenschappelijke bevindingen. Daar komt bij dat sommige wetenschappelijke bevindingen wetenschappelijker lijken te zijn dan andere. De neurowetenschappen – jong, modern, exact – hebben wat dat betreft een streepje voor op haar neef psychologie – een beetje op leeftijd,  onzeker, en onnauwkeurig.

Prachtig natuurlijk, leerkrachten die kennis over hersenen en leren willen inzetten in hun eigen lespraktijk. Maar dan is het natuurlijk van het grootste belang dat de juiste kennis wordt toegepast! Er is goede reden om daaraan te twijfelen. Er zijn nogal wat (commerciële) onderwijsbureaus die garen spinnen bij het uitventen van ‘breinleren’, ‘multipele intelligentie in de klas’, en ‘gericht inspelen op de leerstijl van uw leerlingen’. Daar valt geld te halen. Uit onderzoek is gebleken dat uitspraken over wetenschappelijke bevindingen eerder worden geaccepteerd als die uitspraken vergezeld gaan van uitspraken over neurowetenschap of van een plaatje van hersenen. Of de uitspraak juist of onjuist is, of dat het plaatje niets toevoegt aan het verhaal heeft daarop geen invloed!

De vraag is: kunnen leerkrachten in basis- en voortgezet onderwijs wetenschap en pseudo-wetenschap als het gaat om de neurowetenschap uit elkaar houden, of zien zij door de bomen het bos niet meer? Een recent gepubliceerd onderzoek werpt licht op deze kwestie. Dat onderzoek sluit heel mooi aan bij mijn eigen bevindingen.  Zelf heb ik  namelijk een tijdje terug een vragenlijstje afgenomen om kennis over psychologische mythes te testen onder studenten. De resultaten waren duidelijk: veel stellingen werden door een meerderheid bevestigend beantwoord, terwijl het antwoord in alle gevallen juist ‘nee’ had moeten zijn. Bij mij ging het om welingelichte studenten, waardoor het vermoeden bestaat dat neuromythes in andere gremia nog vaker zullen voorkomen.

Sanne Dekker

Hoe zit het dan met leerkrachten? Het onderzoek hiernaar, dat gepubliceerd is in het online tijdschrift Frontiers in Psychology, werd uitgevoerd door Sanne Dekker, promovenda bij de afdeling onderwijsneurowetenschap aan de VU, collega’s van haar aan de University of Bristol, en haar promotor Jelle Jolles. Dekker richtte zich met name op docenten die aangaven interesse te hebben in de relatie tussen neurowetenschap en onderwijs. Je zou verwachten dat deze groep goed geïnformeerd is over het verschil tussen ‘sterke’ bevindingen en pseudo-wetenschappelijke ‘meningen’. Om dit te bekijken werd aan 242 docenten, 137 Engelse en 105 Nederlandse, een lijst met 32 stellingen voorgelegd. Vijftien van die 32 stellingen (verspreid over de lijst) waren incorrect: de neuromythes. Voorbeelden zijn de bekende ‘we gebruiken maar 10% van ons brein’-uitspraak en ‘Als we slapen gaan de hersenen op stand-by’. De correcte uitspraken waren uitspraken als ‘Jongens hebben grotere hersenen dan meisjes’ (dit is correct, maar hersengrootte zegt verder niets over intellectuele vermogens) en ‘de linker- en rechterhersenhelften werken altijd samen’. De vraag was uiteraard: hoeveel van de neuromythes werden als ‘correct’ bestempeld? Om met de deur in huis te vallen: 49 procent, oftewel de helft. Opmerkelijk: leerkrachten met meer algemene kennis over de hersenen geloofden ook meer mythes! Dat is een nogal verontrustend resultaat. Juist die leerkrachten die extra geïnteresseerd zijn in het toepassen van neurowetenschap in de klas zijn ook extra gevoelig voor neuromythes. De reden? Marketing, en een meer historisch-filosofisch verschil tussen het continent (waar we meer nadruk op genetische aanleg leggen) en Engeland (waar men meer focust op de rol van de omgeving).

De auteurs concluderen dat leerkrachten meer expliciete instructie over neuromythes zouden moeten krijgen, met name over het gebrek aan bewijs over de effectiviteit van ‘brain-based’-leerprogramma’s. Het integreren van neurowetenschap met de onderwijspraktijk is een proces van lange adem, waarbij we veel hobbels zullen moeten nemen. Beter informeren leidt tot minder geloof in mythes, en dat zal uiteindelijk het effectief gebruik van kennis over de hersenen in het onderwijs bevorderen. Het mag duidelijk zijn: dit weblog dient een maatschappelijke functie!

Literatuur
Dekker, S., Lee, N.C., Paul, H-J, & Jolles, J. (2012). Neuromyths in education: Prevalence and predictors of misconceptions among teachers. Frontiers in psychology, 3, 1-8. doi:10.3389/fpsyg.2012.00429

McCabe, D.P., & Castel, A.D. (2008). Seeing is believing: the effect of brain images on judgments of scientific reasoning. Cognition, 107, 343-352. doi: 10.1016/j.cognition.2007.07.01

Weisberg, D.S., Keil, F.C., Goodstein, J., Rawson, E., & Gray, J.R. (2007). The seductive allure of neuroscience explanations. Journal of cognitive neuroscience, 20, 470-477. doi: 10.1162/jocn.2008.20040

Alison Gopnik

Zijn kinderen een soort wetenschappers in het klein? De beroemde Jean Piaget dacht van wel. Een bekende uitspraak van hem is:

“When you teach a child something you take away forever his chance of discovering it for himself.”

Maar … Piaget sprak daarbij over oudere kinderen, niet over kinderen van een jaar of twee oud, van wie hij het denken ‘onlogisch en pre-wetenschappelijk’ noemde. Ons huidige onderwijs is sterk beïnvloed door deze ideeën, terwijl we inmiddels weten dat ze onjuist zijn. Dat is in ieder geval het punt dat Alison Gopnik wil maken in de opening van een prachtig overzichtsartikel dat zij heeft gepubliceerd in het befaamde tijdschrift Science (klik voor de abstract). Gopnik is hoogleraar psychologie aan de University of Berkeley (in Californië). Zij doet al langer onderzoek naar (onder andere) het redeneervermogen van jonge kinderen. In dit artikel bespreekt zij de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van onderzoek naar wetenschappelijk denken door jonge kinderen. Haar bevindingen zijn interessant, verrassend, en spraakmakend. Ze lijken ook gevolgen te hebben voor de beeldvorming over de manier waarop het onderwijs aan jonge kinderen het best kan worden ingericht.

Gopnik beschrijft hoe in de periode 1980-2000 werd ontdekt dat ook heel jonge kinderen de wereld om hen heen mentaal representeren, en dat hun representaties abstract en causaal zijn. Het lijkt alsof jonge kinderen al intuïtieve theorieën bezitten over psychologie en biologie. De vraag is of deze representaties en de manier waarop kinderen ermee omgaan ook echt te vergelijken zijn met wetenschappelijk redeneren (met name inductie, het afleiden van nieuwe informatie uit dat wat je al weet). Gopnik betoogt dat onderzoek dat de afgelopen jaren is uitgevoerd laat zien dat dit inderdaad het geval is. Ze illustreert dit met een aantal voorbeelden, waarvan ik een laat zien die ik het heel treffend vind (en waar ook een mooi plaatje bij hoort). Het gaat om onderzoek dat is beschreven door Xu en Garcia in 2008 in PNAS (klik om dat artikel te openen in PDF). Een jong kind (zelfs acht maanden oud kwam in het onderzoek voor) ziet hoe een experimentator een aantal balletjes uit een dichte doos trekt. Als de meeste getrokken balletjes rood zijn, en bij opening van de doos blijkt dat die vooral gevuld is met witte balletjes, dan kijken de kinderen daar langer naar dan wanneer de doos gevuld voornamelijk is met rode balletjes (we weten dat kinderen langer kijken naar gebeurtenissen die onverwacht zijn). Het experiment is zo in elkaar gezet dat het niet onmogelijk is dat er alleen rode ballen zijn getrokken uit de doos, het is alleen heel onwaarschijnlijk. Kinderen, zelfs zo jong als acht maanden oud, blijken in staat de waarschijnlijkheid van een steekproef te evalueren in het licht van de populatie! Ter verduidelijking illustreert het plaatje hieronder de experimentele procedure nog eens. De rechterkolom bevat de procedure waarbij de steekproef ‘klopt’, de linkerkolom die waarbij de steekproef heel onwaarschijnlijk is.

Het pingpongballenexperiment, zie Fig. 2: http://www.sciencemag.org/content/337/6102/1623.figures-only

Hoe kan het dat kinderen dit kunnen? De sleutel voor een verklaring van dit soort bevindingen ligt volgens Gopnik in een proces dat ‘Bayesiaanse inferentie’ heet. Het komt erop neer dat je, in het licht van nieuwe gegevens de waarschijnlijkheid van een hypothese kunt berekenen. Het enige dat je daarvoor nodig hebt is kennis over de kans dat die hypothese in het algemeen voorkomt, en een algemeen idee over de waarschijnlijkheid dat die nieuwe gegevens zullen voorkomen. Ingewikkelde materie, waar ook vrij ingewikkelde formules bij horen, maar kleine kinderen beheersen het. Sterker nog: kinderen die spelen zijn eigenlijk aan het experimenteren. Door te spelen ontdekken kinderen hoe de wereld in elkaar zit, en onderzoek laat zien dat kinderen heel systematisch te werk gaan. Als wetenschappers, dus.

Gopnik vindt dat het onderwijs van al deze nieuwe bevindingen iets kan leren. In het kleuteronderwijs is spelen essentieel, en elke goede juf van groep 1 en 2 voelt dat intuïtief al van oudsher al aan. Het bij beleidsmakers levende streven om kleuteronderwijs meer gestructureerd, systematisch, ‘academischer’, en ‘opbrengstgericht’ te maken gaat uit van een verkeerd idee over de manier waarop kinderen functioneren. Goed onderwijs stimuleert de natuurlijke nieuwsgierigheid, onderzoeksgerichtheid, en creativiteit van kinderen.

Literatuur

  1. Gopnik, A. (2012). Scientific thinking in young children: Theoretical advances, empirical research, and policy implications. Science, 337, 1623-1626.
  2. Xu, F. & Garcia, V. (2008) Intuitive statistics by 8-month-old infants. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, 105, 5012-5015.

Deze bijdrage is ook gepubliceerd op de Utrechtse Onderwijskunde Blog.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.434 other followers

%d bloggers like this: